Nimi
Inclusie vanaf peutertuin. Overgang naar secundair.
NimiDoor Hilde Herssens (mama van Nimi)
Een inclusieve loopbaan: van peutertuin tot zesde leerjaar (maart 2001)
Voorstelling
Nimi is geboren in Sri Lanka, ze is op 2.5 maand door ons gezin geadopteerd. Nimi is nu 11 jaar en de jongste van onze drie kinderen, Tomas is 20, Willem is 16. Nimi heeft een hersenverlamming en is hierdoor beperkt in haar lichamelijk en mentaal functioneren. Voor de operatie in oktober 2000 stapte ze zelfstandig, langere afstanden overbrugt ze met haar looprekje of rolwagen. De ontwikkeling van de fijne motoriek is lichtjes vertraagd, ze kan schrijven. Haar tempo is traag en haar abstract denken is beperkt. Ze zit nu volop in een revalidatieperiode na een operatie aan beide benen. Ze leert opnieuw staan en stappen. Na drie maanden thuisonderwijs volgt ze nu deeltijds de lessen op school afgewisseld met therapie (kinesitherapie en logopedie) thuis of op verplaatsing. Nimi zit momenteel in het vijfde leerjaar in het St.Jozefinstituut, een gewone lagere school. Ze tekent graag en ook goed, ze is verslaafd aan televisie. Tot vorig jaar volgde ze dictieles, paardrijden, fietsen en zwemmen zijn haar lievelingssporten. Op zaterdag gaat ze naar de scouts, ze is lid van een gewone VVKSM-groep.
De school
Onze keuze was duidelijk: wij wilden Nimi naar school laten gaan in de buurt, in onze onmiddellijke woonomgeving, in de parochie. Onze twee oudere jongens zaten daar vroeger op de jongensschool. Wij zijn heel erg vertrouwd met de buurt, we groeiden daar allebei op. Ik ging naar dezelfde lagere school. Als ik de school mag beschrijven, gaat het om een klassieke katholieke meisjesschool. De meisjes dragen uniform bij gelegenheden zoals eerste communie, proclamatie, klasuitstappen,... . Ze dragen elke dag een lichtblauwe schort. Het gaat om een prestatiegerichte school: er wordt door de directie, leerkrachten en vele ouders, veel aandacht besteed aan punten, klasgemiddelden, midscores,... . Een fulltime taakleerkracht werkt de meisjes tot en met het vierde leerjaar bij tot het klasniveau van taal en rekenen. Kinderen die dat niveau niet halen worden doorverwezen naar een andere gemakkelijkere basisschool of buitengewoon onderwijs. Deze school ziet het als haar taak om kinderen voor te bereiden op de humaniora. De grootste groep kinderen komt uit een welstellend gezin, er zijn weinig kinderen van ouders die laaggeschoold zijn of migrant.
De schoolloopbaan
Een onbekende wereld
Zeker in de beginperiode, na de koude douche van "mijn kind is niet gelijk de anderen" moet je plots een weg vinden in een onbekende wereld. We hebben van in het begin gekozen om Nimi van kleinsaf te laten opgroeien tussen valide leeftijdsgenoten. De eerste stap is de stap naar de peutertuin, dezelfde peutertuin waar onze twee jongens de eerste 3 jaren van hun leven heel goed zijn opgevangen. Kribbe, peutertuin, kleuterschool en lagere school bevinden zich in één groot gebouwencomplex. De directie en het personeel van het dagverblijf worden, na een aantal gesprekken, ervan overtuigd dat ze Nimi echt verder helpen. Ze komt terecht in een klein groepje peuters en wordt met de grootste zorgen omringd door Sarah, een "bijou" van een kinderverzorgster. Er komt begeleiding vanuit de Kangoeroe, dienst voor vroegtijdige thuisbegeleiding voor kinderen met motorische ontwikkelingsmoeilijkheden. Zo begint Nimi, nu 10 jaar geleden, aan haar inclusieloopbaan.
Van peutertuin naar kleuterschool
Nimi is bijna 3 jaar als ze naar het peuterklasje gaat. De andere kindjes zijn op 1 september net 2.5 jaar geworden. Zuster Cathérine, de directrice, en de kleuterjuffen kennen Nimi al van toen ze nog baby was, maar een kind met een handicap in de klas is wel een totaal nieuwe onbekende situatie. De meeste vragen hebben betrekking op de praktische en materiële organisatie: Nimi beweegt zich alleen kruipend voort, ze begint pas haar looprek te gebruiken. Alleen-zitten is nog aarzelend, ze staat in een stabilisator en voor toiletbezoek is ze afhankelijk van de juf,... maar juf Peggy ziet dat wel zitten. Het dagelijks contact tussen juf en mij is zeker niet overbodig. Er is op dat moment ook extra ondersteuning door de G.ON-juf en één maal per week vindt er kiné plaats in de klas. Het jaar nadien starten we met ergotherapie, op woensdagnamiddag. De 4 kleuterjuffen ervaren Nimi's aanwezigheid in de klas als een rijkdom voor de andere kinderen. De grootste "varkentjes" maken plaats voor Nimi bij het binnengaan van de klas. Ze leren rekening houden met elkaar, ze leren mekaar helpen. De aanwezigheid van de G.ON-begeleidster in de klas, van de therapeuten (kinesist en ergotherapeut) bij de teambesprekingen, betekent voor directie en de leerkrachten een verruiming: de aanpak van Nimi kan misschien ook wel deugd doen voor de andere kleuters. Van nature klein en fijn, evolueert Nimi van een bang, eerder passief, stil en observerend peutertje naar een actieve en assertieve kleuter. Een anekdote: Op een dag komt Nimi met het volgende naar huis:"Cédric zei dat ik niet kan lopen. Maar ik kan dat wel met mijn looprek. Ik heb gezegd dat hij een brilletje moest kopen omdat hij niet goed kan zien." Ook fysisch doet ze letterlijk stappen vooruit; na een operatieve ingreep in de helft van de 2de kleuterklas kan ze na 6 weken alleen staan en na een aantal maanden zet ze haar eerste stapjes zonder steun. Wat een ervaring!Van peuterleeftijd af geïntegreerd in een groep van leeftijdsgenoten betekent voor Nimi een voortdurende stimulans om zich aan hen te meten. Anderzijds impliceert het voor haar ook een stilaan erkennen van haar beperkingen en ontdekken van wat ze wel in zich heeft. Een anekdote: Na een sportactiviteit op school komt ze met de volgende filosofische bedenking: "Ik kan niet stappen zoals de kinderen van mijn klas, maar zij kunnen niet stappen zoals ik. Dus staan we toch eigenlijk gelijk?" Tijdens die kleutertijd voelt ze zich omwille van haar handicap nooit minderwaardig of uitgesloten. Enkel om haar huidskleur wordt ze eens "praline" genoemd en ... "Die 2 kindjes moesten van de juf op straf staan, maar ik vond dat niet zo erg dat ze dat zeiden." Nimi is een blij kind, ze leeft tevreden van dag tot dag. Ze legt heel vlot contact en is door iedereen geliefd. "Ik ben maar een klein beetje gehandicapt aan mij beentjes hé mama, aan mijn mondje mankeert er niets!"
Naar het eerste leerjaar en de eerste moeilijkheden
Waarom moeilijkheden? Men is er op gericht ervoor te zorgen dat Nimi, mits G.ON, mits bijwerken in de taakklas, mits ondersteuning door ergotherapie, op het einde van het schooljaar het niveau van de gemiddelde leerling van de klas en dus de einddoelen bereikt. Dat is op dat ogenblik de bedoeling van "Geïntegreerd Onderwijs" in de school. Ondertussen wordt de G.ON begeleiding overgedragen van Lut naar Greta. De accenten van die begeleiding zijn erop gericht dat Nimi zoals de andere kinderen leert schrijven: "opvolgen en ondersteunen van fijnmotorische vaardigheden met aandacht voor schrijfhouding en -motoriek". Dat Nimi leert rekenen: "ondersteuning bieden bij rekenopdrachten en ruimtelijk structureren". Dat zij leert werken: "ondersteunen en opvolgen van concentratie, tempo, taakspanning, oefenen van zelfstandig werken" en dat zij leert zich te handhaven in de groep: "ondersteunen en uitbreiden van zelfredzaamheid in functie van zelfstandig functioneren in de klas." Een hele boterham dus. Nimi zelf ligt hier niet wakker van: ze heeft een heel enthousiaste juf Els die Nimi heel graag ziet. Ze werkt goed: ze leert schrijven, lezen en rekenen. De school wordt haar leefwereld, waar het vooral leuk is tussen al haar klasgenootjes, die haar aanvaarden zoals ze is. Diezelfde vriendinnetjes ontmoet ze ook op zaterdagnamiddag bij de scouts. Op het einde van dat eerste leerjaar echter, wordt er aan de alarmbel getrokken: Nimi haalt de einddoelen voor wiskunde niet. Tijdens de eindbespreking wordt er geopperd om Nimi te verwijzen naar het Buitengewoon Onderwijs. Op dat ogenblik stort ook voor ons, de wereld in elkaar. Onze vertrouwde wereld verandert in een wereld vol onzekerheden en vraagtekens. Een bezoek aan de MPI Ten Dries in Landegem blijkt noch voor ons, noch voor de school bevredigend. Samen met de G.ON juf wordt er een alternatief uitgedokterd: Nimi zal overgaan naar het 2de leerjaar in dezelfde school. Ze krijgt een individueel programma voor rekenen, aangepast aan haar mogelijkheden, op haar tempo. Voor die rekenmomenten wordt ze uit de klas gehaald. De taakleerkracht neemt vier uur, de G.ON juf neemt twee uur en de coördinatie van het geheel, bij gebrek aan extra mensen of extra middelen.
Alert en creatief op het goede spoor
Ons systeem werkt. Alle betrokken partijen, zowel binnen als buiten de school zijn op elkaar afgestemd. Motorisch gaat het ook goed, zelfs trappen schrikken haar niet af. De klas is op de eerste verdieping. het klikte onmiddellijk met juf Nadine. Ze betrekt Nimi bij alles en laat Nimi gewoon Nimi zijn en dan vooral met haar sterke kanten. Nimi speelt zelfs één van de rollen tijdens de toneelvoorstelling op het schoolfeest.
Naar iets meer differentiatie
In het derde leerjaar raakt Nimi soms wat achterop in de klas, niet zozeer inhoudelijk maar omwille van haar trage lees- en schrijftempo. Juf Carine voelt dat perfect aan en bij het inoefenen van de leerstof wordt de hoeveelheid oefeningen aangepast. Sommige toetsen worden qua schrijfhoeveelheid aangepast of soms ook mondeling afgenomen. De juf maakt dit probleem bespreekbaar in een klasgesprek en motiveert haar aanpak naar de andere kinderen. Maar dat belet niet dat een paar meisjes toch jaloers worden op die extra aandacht van de juf voor Nimi. Wie, op die leeftijd, zou er niet graag elke dag aan de hand van de juf naar de speelplaats worden gebracht terwijl ze een gezellig babbeltje slaan? Vooral meisjes die het ook niet zo gemakkelijk hebben met leren tonen soms weinig begrip voor Nimi's situatie. Er volgen onaangename pesterijen, vooral verbaal. Voor het eerst is Nimi aan het wenen in bed op zondagavond omdat ze schrik heeft om naar school te gaan. Gelukkig escaleert het niet: de juf maakt het opnieuw in de klasgroep bespreekbaar. En vanaf dan gaat de juf elke dag met 2 kindjes aan de hand naar de speelplaats, ze organiseert een beurtrol.
Nood aan begeleiding
Ook voor het eerst ondervindt de leerkracht nood aan extra-hulp en ondersteuning in de klas, ook bij het turnen, bij het wekelijks gaan zwemmen en de andere klasuitstappen vraagt Nimi echt materiële hulp.
Onze keuze voor inclusie
Tijdens de besprekingen op school komen vanaf dat ogenblik duidelijk verschillende standpunten naar voor. De school stelt zich de vraag of Nimi's aanwezigheid, met het vooruitzicht op de 3 laatste studiejaren nog zinvol is, de kloof voor wiskunde wordt steeds groter en de hoeveelheid nieuwe leerstof vergroot ook. Nimi vraagt meer en meer differentiatie en aanpassingen (zowel inhoudelijk als qua tempo). De klasgroep wordt ook groter: tot het derde leerjaar zijn er drie parallelklassen, vanaf het vierde maar twee meer. De leerkrachten moeten zich inwerken in een nieuw taalprogramma. Nimi wordt al gedurende drie jaar in de taakklas gedurende vier uren begeleid, eigenlijk is dat niet de bedoeling van een taakklas. Kinderen met zo'n achterstand en zo'n specifieke zorgen zoals Nimi verwijzen ze anders ook door naar een andere school of naar Buitengewoon Onderwijs. De externe therapeuten en wij als ouders zien toch nog mogelijkheden voor Nimi, omdat we ondervinden dat ze voortdurend bijleert. De punten op het rapport zijn voor ons niet zo belangrijk, een diploma van lager onderwijs zal ze ook niet krijgen. Inzichten verwerven is één aspect van de school, maar haar sociale contacten uitbreiden en onderhouden, waar ze zo goed in is, is voor ons eigenlijk even belangrijk. Nimi zelf zou het een ramp vinden nu ze zoveel vriendinnetjes heeft, om van school te veranderen. Vooral omdat wij ervoor kozen, gaat Nimi naar het vierde leerjaar. We maken voldoende afspraken: er komt een begeleider om in de klas de leerkracht te ondersteunen en te ontlasten van de extra zorg voor Nimi. De begeleider neemt ook een aantal uren individueel rekenonderricht op zich en de kinesist is aanwezig tijdens de turnles en de zwemles. We hebben het geluk in de universiteitsstad Gent te wonen. Want op dat moment vind ik partnerschap bij Geert Van Hove, professor aan de Universiteit Gent, vakgroep Orthopedagogiek. Geert biedt aan één van zijn laatstejaarsstudenten de mogelijkheid om, in het kader van haar eindwerk over inclusie, stage te doen bij Nimi in de klas.
Halen we de eindmeet van het 6de?
In het vierde leerjaar bij juf Marina is Leen, laatstejaars student orthopedagogiek, de eerste maanden van het schooljaar heel veel in de klas aanwezig. Het klikt onmiddellijk tussen Leen en Nimi. Nieuwsgierig naar de positie van Nimi in de klas, organiseert ze klasgesprekjes, heeft ze regelmatige individuele gesprekjes met de kinderen van de klas en spontane babbels in de wandelgangen. Een greep uit verschillende uitspraken: - "Ik vind het leuk dat Nimi bij ons in de klas zit, niet speciaal, dat is gewoon normaal."
- "Soms heb ik moeilijke vraagstukken en steek ik mijn vinger in de lucht en zoek ik de juf en dan komt ze niet want dan is ze de hele tijd met Nimi bezig."
- "Ik bewonder Nimi heel erg omdat bijvoorbeeld ik had een keer een probleem en ik kon daar bij Nimi voor terecht."
Differentiatie
Het lessenrooster aanpassen aan al de verschillende begeleiders van Nimi vraagt wat puzzelwerk. Nimi wordt in de klas door Leen begeleid bij het inoefenen van de leerstof of bij het maken van toetsen. Maar meestal wordt ze voor de differentiatie uit de klas gehaald en werd er individueel met haar gewerkt, door de G.ON juf, door de taakleerkracht en door Leen. De kinesist is aanwezig tijdens turn- en zwemles. Nimi kent haar eigen beperkingen, differentiatie is voor Nimi een normale zaak, ze snapt ook waarover het gaat:"Als ik rekenoefeningen heb, en het is moeilijk voor mij; en de kinderen van de klas hebben andere oefeningen die ook moeilijk zijn voor hen, dan hebben we hetzelfde probleem." Toch vind ze het niet zo leuk om altijd uit de klas gehaald te worden, ze mist dan een heel stuk sociaal gebeuren. Dit wordt één van de aandachtspunten voor het volgend schooljaar.
We zijn er bijna… maar nog niet helemaal
Voor de overstap naar het vijfde leerjaar hebben we met de school opnieuw afspraken gemaakt. Het is duidelijk dat de aanwezigheid van studenten zeer sterk op prijs gesteld wordt. Men wil de differentiatie voor geheugenvakken, Frans en Nederlands verder uitwerken. We willen Nimi zoveel mogelijk in de klas houden, behalve voor rekenen. Door te anticiperen op te verwachten toetsen worden teleurstellende resultaten vermeden. Nimi krijgt een eigen evaluatiesysteem gekoppeld aan eigen doelen, haar resultaten worden ook niet meer opgenomen bij het berekenen van het klasgemiddelde. Aangezien de kwaliteit van het stappen achteruitgaat, wordt een ernstige operatie aan voetjes en benen eind juni al gepland voor half oktober 2000. Er zijn opnieuw en dit keer 2 studenten bereid stage te lopen in de klas van Nimi. Katrijn heeft een vooropleiding onderwijzeres en studeert laatste jaar pedagogiek, Tinne heeft een vooropleiding logopedie en volgt het voorlaatste jaar orthopedagogiek aan de Universiteit Gent. Er zijn dit jaar ook 2 juffen in een duobaan: 2 echte moederfiguren enerzijds, rotten in hun vak anderzijds. Katrijn zal vooral aansluiten bij juf Rita, Tinne bij juf Huguette. Vanaf nu spreken we van de periode voor en de periode na de operatie. Nimi is er al heel sterk mee bezig bij het begin van het schooljaar en die anderhalve maand is zeer gauw voorbij. Tijdens haar verblijf in het ziekenhuis en de eerste weken thuis wordt ze overstelpt met kaarten, brieven, e-mails, telefoons en bezoekjes van vriendinnen in de klas. Dat doet haar zeer veel deugd. Er wordt thuisonderwijs (4 uur per week) georganiseerd, vooral Katrijn maar ook de twee klasjuffen nemen een aantal uren voor hun rekening. De revalidatie verloopt volgens plan: Nimi werkt zeer hard. Begin februari gaat ze deeltijds naar school. Iedereen is wel heel blij dat ze terug is. De belangrijkste lessen worden gegeven op de momenten dat ze aanwezig is en de rusttijden worden consequent gerespecteerd. De klas is op de eerste verdieping en omdat er geen enkele klas op de benedenverdieping vrij is of vrijgemaakt kan worden, wordt Nimi door de directeur naar boven en terug naar beneden gedragen... een half schooljaar lang. Soms laat ik mij door zo een beslissing ontmoedigen.
Nimi in het zesde leerjaar
Waar wij bij de start in de kleuterschool alleen maar van droomden was nu werkelijkheid geworden. Nimi maakt de lagere school af samen met alle vriendinnen waarmee ze in de kleuterschool begonnen is.
De "sneeuwschool", als kers op de taart, waarvan al die meisjes -van in de kleuterschool al- dromen
dreigt voor Nimi om praktische en organisatorische redenen (Nimi is nog steeds aan de rolstoel gebonden) niet door te kunnen gaan.Gelukkig komt directeur en juf Mia op deze beslissing terug. Nimi beleeft 10 dolle dagen in Oostenrijk met haar klasgenoten en juf en haar persoonlijk assistent Katrijn, die bovendien ook nog kan skiën en Nimi begeleidde met de zitski.Nimi was sinds de voorbije zomervakantie immers de gelukkige bezitter geworden van een PAB (Persoonlijk Assistentie Budget) Katrijn en Evie die net hun diploma op zak hadden zijn Nimi's eerste assistenten.
We prijzen ons als ouders de koning te rijk; de bekommernis om elk schooljaar opnieuw te zorgen voor de ondersteuning in de klas en de studiebegeleiding thuis, valt weg. Omdat juf Mia de begeleiding van de assistenten in de klas niet echt nodig vindt krijgt Katrijn na de paasvakantie de tijd om de grote stap naar het secundair voor te bereiden.
Inclusie en ons gevoel als ouder daarbij
Zelfs met die zekerheid van assistentie ben je als ouder altijd vragende partij en afhankelijk van het engagement van schooldirectie en de ingesteldheid van de klasleerkracht. Je kiest niet één maal voor inclusie, je wikt en weegt en je kiest er elke keer opnieuw voor. Nu al bijna 10 jaar lang. De keuze is elke keer vlug gemaakt, maar inclusie blijven realiseren is elke dag een beetje vechten. Als inclusie-ouders zitten we in een eenzame positie, er bestaat immers nog geen enkele officiële structuur of een wettelijk kader. Inclusie is voor velen nog steeds niet evident. Bij inclusie is de enige zekerheid: dat niets zeker is, dat er voortdurend vragen moeten worden gesteld, dat er voortdurend moet bijgestuurd worden, maar dat maakt inclusie juist zo boeiend.Hoe verliep de overgang
naar het secundair
en hoe voelt Nimi zich hierbij?(februari 2006)Nimi heeft al sinds de peutertuin een inclusieve loopbaan achter de rug van meer dan 10 jaar. Ze krijgt sinds het vierde leerjaar, naast de G.Onbegeleiding, extra ondersteuning door studenten Ortho- en Pedagogiek van de Universiteit Gent.
Ook in het vijfde leerjaar waren er twee studenten. In de zomer van het vijfde naar het zesde leerjaar hebben we het geluk gehad om een Persoonlijk Assistentie Budget te krijgen. Op die manier konden we voor Nimi vanaf het zesde leerjaar 2 assistenten inschakelen voor de ondersteuning.
Samen met de assistente zijn we vanaf de paasvakantie van het zesde leerjaar actief met de zoektocht naar een middelbare school gestart. Hierbij zijn we in de eerste plaats uit gegaan van de interesses van Nimi en hadden we voor ogen, zolang het kon, te streven naar een diploma.
Uitgangssituatie:
Nimi heeft geen diploma van het lager onderwijs; we hebben vanaf het vierde leerjaar de eindtermen losgelaten, vooral voor wiskunde, hiervoor had ze vanaf het 2de leerjaar, haar eigen traject. Ook voor andere vakken werd de leerstof gedifferentieerd geëvalueerd (minder vragen, eigen tempo, mondelinge toetsen, toetsen op voorhand meegegeven naar huis om heel gericht te kunnen studeren); ze volgde die vakken wel mee zoals de andere kinderen.
Nimi kon na het 6de leerjaar, op basis van haar leeftijd ingeschreven worden in het gewone beroepsonderwijs, B-stroom. Dit 1ste jaar beroepsonderwijs vertrekt van de leerstof 4de leerjaar basisonderwijs. Dus in principe moet je geen lagere school hebben afgemaakt om naar dat 1ste jaar B-stroom te gaan. Als je in dit jaar bent geslaagd, bezorgt je dat een "ticketje" om alsnog, het secundair onderwijs, in om het even welke richting te beginnen.
Onze criteria:
Bij het zoeken naar een geschikte richting binnen het Beroepsonderwijs, hanteerden we vier selectiecriteria - We zochten naar een richting waar vakken worden aangeboden die Nimi graag doet en waar ze goed in is.
Ze is goed in talen, in communicatie en kan vrij goed met de computer om. Nimi is in haar vrije tijd vaak met tekenen bezig, en heeft interesse voor vormgeving en decoratie. (Fijn)motorische activiteiten, zoals die voor een beroepsopleiding "Kinderverzorging", "Keukenhulp", "Kapster", …worden vereist, zijn dan weer moeilijk voor haar.
Daarom waren we van in het begin reeds gaan denken in de richting van 'Kantoor- Verkoop en Decoratie" - Een tweede punt waar we heel selectief in waren, was de afstand van en naar de school.
Nimi kan niet, zoals haar leeftijdsgenoten met de fiets of het openbaar vervoer naar school. Ze moet elke dag van en naar school gebracht worden. Om lange verplaatsingen te vermijden zochten we naar een school binnen een straal van 10 à 15 km van onze woonplaats. Een andere reden hiervoor was het bevorderen en stimuleren van de nieuwe sociale contacten na school en in vakantieperiodes. - Een derde selectiecriterium vloeit voort uit het feit dat Nimi uit een zeer beschermd milieu komt.
De school, waar Nimi gedurende 10 jaar kleuter- en lager onderwijs volgde, is gelegen in de onmiddellijke woonomgeving, onder onze kerktoren. We zijn als gezin heel erg vertrouwd met deze buurt en kennen heel veel mensen.
Deze school bereidt hoofdzakelijk kinderen voor op de humaniora.
Nimi zit ook met die groep kinderen in de scouts, sinds ze 6 jaar is. Zonder een waardeoordeel uit te spreken hadden we daarom wat schrik van de leerlingensamenstelling en de mentaliteit in sommige Beroepsscholen in Gent, vooral omdat Nimi nog de nodige assertiviteit mist om zich in zo'n andere omgeving goed te voelen. - Een laatste selectiecriterium is de toegankelijkheid van de school en de aanwezigheid van een lift zodat Nimi zich zelfstandig met looprek of rolstoel, naar iedere klas, speelplaats en refter kan verplaatsen.
Uiteindelijk kwamen we terecht in het Vrije Katholieke Onderwijsnet en hadden we drie scholen geselecteerd. Voor de uiteindelijke beslissing heb ik me verder gebaseerd op de informatie die ik kreeg tijdens de telefonische contacten met deze 3 scholen:
In het St. Paulusinstituut, Loofblommestraat te St.Denijs-Westrem, bood men niet alle studiejaren van de richting "Kantoor Verkoop & Decoratie" aan.
In Instituut Mariagaard, Oosterzelesteenweg 80 te Wetteren stelde men mijn optie voor de school in vraag en lieten me verstaan dat het MPI St.Lodewijk misschien voor Nimi meer geschikt zou zijn. Bovendien boden zij ook geen volledige cyclus "Kantoor Verkoop & Decoratie" aan.
De nieuwe school:
De contacten met Visitatie Mariakerke' liepen van bij het begin, zeer open en uitnodigend. Er werd vrij snel een eerste verkennend gesprek met de directeur en de leerlingenbegeleidster gepland. Tijdens dit intakegesprek werd door de assistente en door mij informatie gegeven over de geschiedenis van Nimi, haar mogelijkheden en beperkingen, de aard van de begeleiding, de verschillende therapieën en onze verwachtingen naar de nieuwe school. Op de opendeurdag was er een tof onthaal. Een meisje van het 2de jaar nam Nimi onmiddellijk met de rolstoel mee voor een rondleiding en had zelfs meer oog voor haar dan voor ons, ouders en assistente. Nimi's eerste indruk van de school was heel positief; ze zag het vrij goed zitten.De leerlingenbegeleidster was aanwezig op de eindevaluatie van de lagere school en won informatie in over het functioneren van Nimi.Dit is nu verder de procedure die wordt gevolgd, bij elke leerling met een beperking die zich op deze school aanbiedt: (uit rood verslagboekje nov. 2002-maart 2003, getuigenis Greet De Meulder)Met deze informatie stapt de leerlingenbegeleidster naar de directie. Daar wordt er besproken of de school het haalbaar acht om deze leerling met zijn /haar specifieke beperkingen, kwalitatief onderwijs te bieden. Als dat zo is dan wordt een handelingsplan opgesteld.Tijdens een klassenraad, waarop niet enkel leerkrachten en directie aanwezig zijn, maar ook de ouders, externe begeleiders van de leerling en eventueel experts, wordt een zo duidelijk mogelijk beeld geschetst van de leerling en wat iedere partij mag en kan verwachten. De leerkrachten krijgen de kans om vragen te stellen. Door deze open communicatie is de eerste drempel voor alle partijen al ineens genomen.Er wordt een verslag gemaakt waarin alle afspraken duidelijk geformuleerd staan en dit wordt aan alle partijen gegeven. Het team geeft door waar rekening mee gehouden moet worden bij het opmaken van de uurroosters en de verdeling van de lokalen, zodat de leerling met speciale noden zonder veel praktische problemen het schooljaar kan starten.Men gaat na of de klasgroep waarin de leerling met een handicap terechtkomt, moet geïnformeerd worden. Enkel als de leerling zelf akkoord gaat, kan dit gebeuren door de klassenleraar, de leerlingbegeleider, een expert of de leerling zelf.
Het kader:
Nimi start in het 1ste jaar in een klasje van 10; de introductie doet ze samen met de klasleraar. De school probeert steeds kleine klasgroepen te maken. Zo kan elke leerling van heel nabij gevolgd worden.
Men probeert een beperkt aantal leerlingen met problemen per klas te hebben. De klassen zijn op die manier erg divers. De school laat geen aparte lesprogramma's of een eigen curriculum toe.
Op dit ogenblik is er nog geen enkel wettelijk kader voor inclusiekinderen; zowel wat aanpassingen en daaraan gekoppeld eigen evaluatie en deelgetuigschriften betreft, als wat structurele middelen voor ondersteuning betreft.
Het kader waarin de school van Nimi wel werkt is het G.On (Geïntegreerd Onderwijs).
G.On verschilt van Inclusief Onderwijs omdat er bij G.On wel naar gestreefd wordt de eindtermen voor een bepaald schooljaar bereikt te hebben. G.On laat wel toe dat, rekeninghoudend met de beperking, voor bepaalde vakken aanpassingen gebeuren of alternatieve lesinhouden worden aangeboden.
Elk jaar opnieuw wordt door het schoolteam, de ouders, het CLB en de Buitengewoon Onderwijsschool die het G.On organiseert, een "Integratieplan Geïntegreerd Onderwijs" opgemaakt. Hierin wordt heel concreet omschreven over welke aanpassingen het gaat. Nimi krijgt al gedurende heel haar schoolloopbaan G.On-begeleiding gedurende 2u./week!
Het is dan ook de bedoeling dat Nimi, met die aanpassingen voor enkele vakken, de eindtermen haalt; anders kan ze niet over naar het volgende jaar.
Het eerste jaar was een succes.
Dit succes was toe te schrijven aan een aantal belangrijke factoren:
Het schoolteam:
Op de school is er een nauwe samenwerking tussen de leerlingenbegeleider, de graadcoördinator en de klassenleraar. De leerlingenbegeleider is fulltime vrijgesteld om deze opdracht te vervullen. Er worden steeds duidelijke afspraken gemaakt en deze worden aan alle partijen doorgegeven. Er is een regelmatige evaluatie en communicatie. Ongeveer zeven keer per jaar wordt er klassenraad gehouden en dat geldt voor iedere leerling. Tussendoor kan het team nog eens bijeenzitten als dat nodig geacht wordt. Externe begeleiders krijgen ook een vakje in de lerarenkamer en hun gegevens staan vermeld op de personeelslijst, zodat een vlotte briefwisseling mogelijk is. De begeleiders worden niet als externen aanzien, ze zijn als volwaardige leden opgenomen in het schoolteam.
Communicatie is heel belangrijk; eens je de verschillende communicatiekanalen hebt gevonden binnen de school loopt dit wel goed. Daarvoor zie je nu vaker dat men binnen een secundaire school werkt met een leerlingenbegeleider; dit is binnen de school de spilfiguur voor de contacten met ouders, begeleiders en therapeuten. Kort op de bal spelen is de boodschap; liever een keer te veel, dan een keer te weinig de betrokken partijen bijeen zetten.
De externe begeleiding:
De assistente, Katrijn, kende Nimi al van in het 6de leerjaar en hielp Nimi de overstap te maken naar de nieuwe school.
Nimi vindt het vooral heel leuk dat ze nu zo weinig begeleiding krijgt. In de laatste 2 jaren van het lager onderwijs zat de stagiaire of haar assistente bijna altijd bij haar, maar nu is dat maar af en toe meer. De laatste twee jaren van het lager onderwijs liep Nimi vaak op de toppen van haar tenen; ze had vooral problemen met het tempo waarop een massa leerstof moest verwerkt worden. De leerkracht wilde ook dat er altijd iemand bij haar was. Dit is nu anders in het secundair.Voor de praktische en orthopedagogische begeleiding gedurende dit eerste jaar, werd de Persoonlijke Assistente ongeveer 8u/week effectief op school ingeschakeld; voor uitstappen en projectdagen waren dat dan wel een aantal uren meer. Hier wordt dan expliciet om gevraagd door de klasleerkracht. Door deze link met de school en de directe communicatie met de verschillende leerkrachten verloopt de studiebegeleiding thuis, door de assistente zeer efficiënt. Er is ook regelmatig overleg met de G.Onbegeleider; zij staat in voor 2u ondersteuning per week, in de klas. De kinesist begeleidt Nimi tijdens turn- en zwemlessen.
Aanpassingen en differentiatie:
Door de zeer heterogene samenstelling van de klasgroep, ervaart Nimi gauw dat zij niet alleen het met een aantal vakken wat moeilijker heeft. De gedifferentieerde wiskundetoetsen (binnen de minimumdoelstellingen) die aanvankelijk alleen voor Nimi waren opgemaakt worden na een tijd aan meerdere leerlingen aangeboden.
Nimi had succeservaringen., voelde zich minder uitzonderlijk en vond het rechtvaardiger dat de differentiatie ook werd doorgetrokken naar andere klasgenoten.
De klasgenoten:
Nimi is op dat ogenblik nog volop aan het revalideren, na een ernstige operatie en kan nog niet zonder hulp staan of stappen. Ze doet verplaatsingen met looprek of rolstoel.
Op sociaal vlak voelt Nimi zich vlug aanvaard in de klasgroep. Ze vindt het niet erg om in een nieuwe, onbekende groep terecht te komen.
"Je hebt een positieve invloed op de klas, proficiat!" staat als commentaar van de klassenraad in haar eerste maandrapport. De klasgenoten hebben, door de aanwezigheid van Nimi, een gemeenschappelijke zorg en verantwoordelijkheid. Ze staan er samen voor in, dat Nimi op school zo goed mogelijk kan functioneren: boeken, mappen of materiaal klaarleggen en opbergen, transfers naar de verschillende leslokalen met de lift, helpen bij het op- en afstappen van de bus bij het gaan zwemmen… 's Morgens wacht er ook telkens een klasgenoot aan de poort, om samen met Nimi de school binnen te gaan.Deze hulp en zorg, kreeg Nimi vooral van 2 meisjes, die soms zelfs streden om haar vriendschap, waardoor er wel eens jaloezie ontstond. Ze waren ook wel eens te enthousiast en namen taken van Nimi over, die ze eigenlijk ook zelf kon. Nimi durft hierop niet te reageren uit schrik de meisjes te kwetsen.
Anderzijds stimuleren ze Nimi voortdurend om zelfstandig te stappen en krikken ze haar zelfvertrouwen op. Ze beschouwden het dan ook als een persoonlijke overwinning als ze me allebei op een lentedag tegemoetkwamen:"Mevrouw, nu moet je kijken, Nimi kan alleen stappen!"Op hun manier hebben ze een beter effect bereikt dan welke kinesist of therapeut ook.
Hoe verloopt het verder?
Nimi is nu 16 jaar en onderneemt volop een zoektocht naar haar eigen identiteit en een plek binnen deze samenleving. Haar adoptie en haar handicap maken dit nog eens extra moeilijk.
Ze zit nu in het 4de BSO, richting Kantoor; het eerste semester is achter de rug.Hoe ze zover is geraakt, wil ik, door de bril van Nimi, aan de hand van de 4 succesfactoren beschrijven.
Het schoolteam:
In het 2de jaar zijn er enkele nieuwe leerkrachten, maar vanaf de 2de graad is er bijna een volledig nieuw team dat Nimi moet leren kennen en over haar functioneren moet worden ingelicht."Ze kennen uw naam al. Ge zijt sowieso een uitspatting. Ik trek mij dat niet aan. Ik moet mij niet veranderen. Ik wil daar wel over babbelen. Ik doe wat ik kan, al van in het begin. Ik ga ook niet extra mijn best doen, omdat ik nu eenmaal anders ben hé." We ervaren dat het moeilijk is extra-aandacht te vragen van sommige leerkrachten voor de problematiek van Nimi. De omstandigheden waarin moet worden lesgegeven zijn niet optimaal en dat vraagt al zeer veel energie."We zijn van 10 naar 25 leerlingen gegaan. In het begin had ik wel schrik voor die grote monden. Nu vallen die vré goed mee. We zijn ook soms zeer ambetant in sommige lessen. Het is een grote klas. Lesgeven in het BSO is ook ietske meer dan lesgeven."
De externe begeleiding:
Elk schooljaar opnieuw is het de vraag hoe we zo goed mogelijk zorg, ondersteuning en therapie op maat kunnen organiseren. G.Onleerkrachten en assistenten wisselen en er worden ook elk jaar andere accenten gelegd en prioriteiten gesteld aan hun begeleiding."Ik laat assistenten gewoon komen. Ik vergelijk in het begin natuurlijk veel. Je kent elkaar dan wel niet, hé. Nu ken ik Nathalie dat is natuurlijk wel anders. Je bouwt een band op samen. Dat is ook nodig, anders kan je daar niet mee overweg. Ik heb iemand nodig die ik kan vertrouwen. Ik vind het belangrijk dat we goed kunnen babbelen. Ik heb het niet voor gesloten personen. Ik vind het ook belangrijk dat het iemand is die durft. Ik wil niet dat mijn assistent bedeesd is. Je weet niet waar je aan begint, hé. Ik weet nu wel waarop ik let als ik ze de eerste keer ontmoet. Hoe meer ik er heb, hoe meer ik ook ga op dingen letten die ik bij vorige assistenten leuk vond of op wat ik zeker niet wil. Dat wordt dan nog moeilijker. Ik ga wel altijd vergelijken. Ik heb niets anders om mee te beginnen hé."Voor Nimi, die eigenlijk zoveel mogelijk "gewoon" wil zijn, is het soms moeilijk om al die extra begeleiding te aanvaarden."Ik wil zo normaal mogelijk zijn. Ze vragen mij dan, wat komt die nu weeral doen met u?Naast de G.Onleerkracht en assistent speelt ook de kinesist een rol binnen het team rond Nimi. Hij is wel zelden aanwezig op de besprekingen maar communiceert belangrijke informatie rond Nimi's motorische evolutie en de consequenties die deze heeft voor het dagelijks functioneren op school.
Zeker dankzij de intensieve therapie (min. 3x/week) lukt het Nimi nu behoorlijk om alleen te stappen.
De aanpassingen en differentiatie
Nimi vraagt geen aanpassingen qua lesinhouden; ze blijft het echter wel nog steeds moeilijk hebben met wiskunde en het verwerken van abstracte leerstof.
Hiervoor wordt dit schooljaar de G.Onleerkracht ingeschakeld gedurende 3u./week. (1u. tijdens LO, 1u. tijdens Godsdienst en 1u. tijdens de middagpauze) Zij neemt met Nimi de leerstof, die ze in de klas heeft mee gevolgd, nog eens extra door of anticipeert op moeilijkere onderdelen."Misschien haal ik het voor dit vak, misschien ook niet. Soms heeft het ook geen zin om nog meer te studeren. Als ik mij té lang fixeer op hetzelfde, dan word ik boos en moe. Dan moet ik meestal op een gegeven moment gewoon stoppen. Dan is het wel moeilijk om er terug in te komen. Het draait dan in een cirkeltje, ik word nog meer moe. Het gaat nog trager. Ik moet het echt goed snappen om het te kunnen studeren. Soms ben ik dan zo op, dan kan ik nog gewoon wenen."
Tijdens het andere uur LO, krijgt Nimi afwisselend kine of ondersteuning door haar assistent bij het inoefenen of verder afwerken van taken. De PA wordt sporadisch ook ingeschakeld voor extra begeleiding tijdens uitstappen. Omdat haar tempo toch nog steeds trager is, krijgt Nimi voor sommige grote toetsen of voor het afwerken van taken, van de meeste leerkrachten wat meer tijd ofwel worden de opdrachten voor haar gereduceerd."Als ik alleen mag mijn gang gaan voor typen, dan ben ik bang dat ze kijken naar mij. Ik voel mij dan de uitzondering die het niet aan kan. Zij mag dat en ik niet! Bij elke nieuwe aanpassing ben ik daar bang voor. Ik snap wel dat het moet, hé, of dat het anders niet kan voor mij. Ik heb dat wel al heel veel uitgelegd dat ik anders niet kan meedoen. Ik kan gewoon niet rap typen.""Zolang ik op mijn niveau kan werken, blijf ik wel goed werken. Ze mag wel niet teveel verwachten van mij."De belangrijkste taak van de assistent is de studiebegeleiding na school- en kine-tijd. Ze kijken samen agenda na en maken elke week een studieplanning. Verder ondersteunt ze Nimi vooral bij het structureren en instuderen van de leerstof. Toch wordt hierbij voortdurend overwogen om Nimi de zaken die ze zelf kan, zoveel mogelijk zelfstandig te laten doen.
De klasgenoten:
Nimi is de afgelopen jaren heel erg bezig met haar vrienden en de klas waarin ze zich bevindt. Ze voelde zich tot midden vorig schooljaar heel goed op school. "Het valt vré goed mee. Ik heb het gevoel dat ze mij op school aanvaarden zoals ik reageer. Ik heb één heel goeie vriendin, ze doet echt heel veel voor mij. Ze weet wanneer ik echt iets heb. Ze weet hoe ik ben en ze kan dat ook echt aanvoelen. Ze heeft soms wel een grote mond, maar meent het niet zo."Sinds het derde jaar zijn er wat problemen. Het bleken heel broze vriendschappen, waarbij Nimi heel vaak in de afhankelijke positie van hulpvrager werd geduwd. Bovendien werd dan ook telkens een bevestiging en een dankjewel verwacht. "Voor mij hoeft zelfs al die hulp niet, als ik er altijd 'dankjewel' voor zou moeten zeggen." ….
… Ze behandelt mij als haar kind. Ze is zodanig lief, ik kan daar niet echt tegen in gaan…
….Ik denk soms dat ik iets niet kan. Soms verschiet ik dan wel van mezelf. Ik krijg ook veel hulp hé. Ik kan ook dingen alleen….
…Buiten de school, is er geen contact nodig. Ik zie haar al zoveel op school. Ze blijft wel iemand belangrijk voor mij.De hulp komt minder en minder spontaan, Nimi wordt genegeerd en geïsoleerd door de groep vriendinnen. Deze jongeren zijn net als Nimi pubers, vooral bezig met zichzelf en met de vraag "Hoe kom ik over in de groep?" en "Wat verwacht men van mij om aanvaard te worden in de groep?". Wie hierin niet past wordt onverbiddelijk uitgesloten.
Nimi wordt verweten dat ze soms misbruik maakt van haar handicap. Dat ze hulp inroept als ze die eigenlijk niet nodig heeft. Er worden zelfs vragen gesteld hoe het komt dat ze aan een A-attest is geraakt.
De situatie in de klasgroep escaleert en Nimi maakt een periode door van woede en onmacht, maar vooral van heel veel verdriet om wat er allemaal gebeurt.Nimi komt stilaan tot het besef dat dit geen échte vriendinnen zijn. De interesses liggen heel ver uit elkaar. Er wordt amper naar haar verhaal gevraagd of geluisterd."De meisjes van mijn klas kennen mij eigenlijk niet zoals ik echt ben en waar ik mee bezig ben . Ze weten niet echt wat ik kan . In de lagere school wisten ze dat wel omdat we zolang samen hebben gezeten en nu nog altijd bij de scouts samen zijn." Sinds het begin van het derde jaar wilde Nimi alles wat met haar handicap verbonden was, verbannen uit de school. Geen looprek meer, alleen de rolstoel als het echt nodig was. Maar op die manier stelde ze zich, zonder het echt te beseffen, heel afhankelijk op want ze had altijd iemand nodig om haar bij de hand te nemen en te ondersteunen. Nimi maakt nu opnieuw gebruik van haar looprek en probeert zo zelfstandig mogelijk te zijn, zodat ze maar heel weinig hulp van klasgenoten moet inroepen.
Tijdens een aantal klasgesprekken zijn wederzijdse verwachtingen geuit en zijn de meeste plooien glad gestreken."Ik ben blij dat ze me niet meer laten links liggen en dat ze weer tegen mij spreken. Er is ook wel altijd iemand die me wil helpen, soms vraag ik het aan iemand van een andere klas. Ik verwacht eigenlijk niet veel meer, 't is goed zo."'t Is goed nu:Nimi is momenteel erg gemotiveerd om te studeren; haar inspanningen worden ook beloond want ze had een schitterend rapport.
Ook van Dr. Molenaers (UZ Pellenberg), de specialist die haar al meer dan 10 jaar volgt kreeg ze een zeer goed rapport. Dit stimuleert haar ook om heel nauwgezet zijn voorgeschreven therapie te volgen.
Terug naar de verhalen