Gabria – toneelstuk

GABRIA

TONEELSTUK

Over dit project

Mijn naam is Gabria en ik ben 18 jaar. Ik volg de richting Verzorging aan het KA van Geraardsbergen.

Voor een deel van onze GIP-proef moesten we met de klas een toneel schrijven, het decor maken en ook optreden voor 2 doelgroepen: bejaarden (waar ik stage loop) en ook nog voor kinderen uit het lager onderwijs.

Bij het dansje zie je mij in het midden staan. Ik dans heel graag en volg op zaterdag improvisatiedans aan de Kunstacademie. In het toneelstuk heb ik een geel jasje aan en wordt gepest door de pester die mijn bezem afpakt.


Sien – Een vastgelopen traject ombuigen tijdens een gesprek

Sien

Een vastgelopen traject ombuigen tijdens een gesprek

Over dit project

De projectmedewerkers van Steunpunt voor Inclusie ondersteunen ouders van kinderen met een beperking die op drempels en barrières stuiten tijden het inclusietraject van hun kind. Vaak krijgen de projectmedewerkers te maken met vastgelopen situaties. Het is dan niet altijd eenvoudig om tot een gedragen oplossing te komen dat ten goede komt voor het kind met een beperking. Een mama vertelt hoe ze het aangepakt heeft en hoe het verlopen is.

Hoe voelde je je voor het gesprek? 
Ik ging vooral ‘open minded’ naar het gesprek omdat je niet op voorhand weet hoe het gaat verlopen. Ik was ook wel zelfzeker, doordat ik voor mezelf een voorbereiding had gemaakt. Ik had een lijstje gemaakt met alles wat ik besproken wou hebben.

Hoe voelde je je na het gesprek? 
Na het gesprek voelde ik mij opgelucht. Ik heb mijn bezorgdheden eens kunnen vertellen en ze zijn gehoord. Ik voelde mij tevreden. We hebben iets kunnen bereiken.

Is er voor jou en Jan een oplossing gevonden?
Ik wou vooral duidelijkheid over hoe de ondersteuning verliep en dat hebben ze goed verduidelijkt. Verder wou ik een betere communicatie en op de hoogte gebracht worden over de doelstellingen van mijn zoon en het verdere verloop van de ondersteuning. Voor het gesprek hadden we geen inspraak of werden we niet op de hoogte gebracht als mijn zoon besproken werd op een overleg. Nu zijn we overeengekomen dat ik tijdig op de hoogte word gebracht, zodat ik ook mijn bemerkingen kan doorgeven en die dan besproken kan worden. Ook na het overleg zal ik nu een beknopt verslag krijgen. Dit zal niet enkel voor mij zo zijn, maar voor alle kinderen die ondersteuning krijgen op onze school.

Waarom denk je dat dit gesprek goed gelukt is?
Alle partijen stonden open om naar elkaar te luisteren en naar oplossingen te zoeken, daardoor heb ik ook kunnen bereiken wat ik belangrijk vind en dat is een goede communicatie!

Dank je wel voor je getuigenis!


Clara – Goesting. Drempels voor inclusie overwinnen

Clara

Goesting. Drempels voor inclusie overwinnen

Artikel uit School- en klaspraktijk 230 – Pieter Feys, Projectmedewerker Steunpunt voor Inclusie

Het Steunpunt voor Inclusie bracht in oktober een rapport uit over inclusief onderwijs: ‘Drempels & Barrières: Samen met ouders op pad. Ervaringen uit de praktijk in het realiseren van inclusief onderwijs’. Gebaseerd op verzamelde praktijkcases over een periode van twee jaar, komen zij tot een aantal conclusies. Het Steunpunt adviseert met deze bevindingen zowel onderwijsbeleid als -praktijk welke richting het dient uit te gaan, wil het werk maken van inclusief onderwijs.

In dit artikel legt het Steunpunt voor Inclusie enkele van deze drempels en barrières voor aan een ouder en een zorgcoördinator waar het inclusief traject positief verloopt met als doel te weten te komen hoe zij deze hindernissen overwonnen hebben.

Het Steunpunt voor Inclusie is al bijna 5 jaar een project van Ouders Voor Inclusie met als kerntaak het informeren en ondersteunen van ouders van kinderen en jongeren met een beperking die kiezen voor inclusie. Ouders kunnen met al hun vragen over inclusie bij het Steunpunt voor Inclusie terecht. Zij geven hen de juiste informatie en kunnen hen ook actief ondersteunen op bepaalde momenten tijdens het inclusietraject.

Hilde Baert is zorgcoördinator van De Sprankel, een basisschool in Beervelde.

Leen is getrouwd met Dirk. Samen hebben zij vier kinderen. Hun jongste dochter, Clara volgt inclusief onderwijs in basisschool De Sprankel.

Dag Hilde en Leen, bedankt dat jullie je ervaringen willen delen met ons! In ons rapport benoemen we heel wat drempels en barrières, maar jullie bewijzen dat die niet onoverkomelijk zijn.

Één van onze bevindingen is dat heel wat ouders in de kou blijven staan bij de inschrijving. Sommige scholen willen zelfs niet inschrijven. Hoe is dat bij jullie verlopen?
Hilde: Clara komt al vanaf de eerste kleuterklas naar deze school. Ook haar oudere broer en zus waren hier al ingeschreven.

Leen: Bij inschrijving was er nog geen vermoeden van een functiebeperking. De  problemen hebben zich wel vrij snel geuit. We merkten toen dat hier op school een sterke inclusieve visie is en dat dit ondersteund wordt vanuit de directie. Er wordt met veel zorg naar diversiteit in de brede zin gekeken. Als ouder heb ik ervaren dat diversiteit hen zeker niet afschrikt.

Hilde: Er was wel een afwachtende houding in het begin. Het schrikte ons dus niet af, maar we hielden wel rekening met onzekerheden bij de leerkrachten. Ik heb ervaren dat ondanks die onzekerheden, er ook openheid was om het te proberen. Door open te staan voor de vraag van Clara en haar ouders, hebben onze leerkrachten ook veel bijgeleerd.

Is die openheid bij leerkrachten dan een noodzakelijke voorwaarde?
Hilde: Ja dat denk ik wel. Ik probeer hen ook bij te brengen dat je niet alleen in het onderwijs staat om de kinderen schoolse vaardigheden aan te leren. Je moet ze ook leren omgaan met diversiteit en zorg leren dragen voor elk kind in de klas hoort daarbij.

Mijn vorige ervaringen als leerkracht in het buitengewoon onderwijs leerden mij dat een kind niet kiest in welke situatie het geboren wordt, maar we moeten wel rekening met hen houden. Leerkrachten in het basisonderwijs krijgen heel veel verschillende leerlingen in hun klas en ze staan er voor elk van hen. Ik probeer mijn team te ondersteunen door hen positief te bekrachtigen in hoe zij bezig zijn met de kinderen. Hierbij geef ik aan dat ik het ook niet altijd weet. Door veel met mijn team te communiceren, een luisterend oor te zijn voor frustraties en door samen met hen op zoek te gaan, komen we wel tot oplossingen.

Je hebt dus eigenlijk een ondersteunende houding zonder dat je beweert dat je zelf de waarheid in pacht hebt.
Hilde: Je moet samen zoeken, ook met de ouders.

Leen: Ik denk ook dat een sterke visie en een ondersteunend beleid van de directie en zorgcoördinator noodzakelijk zijn. Ik vind dat de directeur op deze school een hele sterke visie heeft. Zie je dat briefje dat daar hangt: “niets is zo onrechtvaardig als gelijke behandeling van ongelijken”? Op zijn bureau hangen er zo nog van die uitspraken. Ik denk dat dit heel sterk weergeeft hoe hij zijn team probeert te laten kijken naar elk individu om daar vooral kansen in te zien. Dit maakt volgens mij dat leerkrachten zich gesteund voelen en er durven aan beginnen.

Hilde: De directeur ondersteunt mij daar inderdaad enorm in. Visie is belangrijk maar ik ben er zeker van dat je daar ook in groeit door steeds verder naar oplossingen te zoeken.

Leen: Bij ons is inclusie ook avant-la-lettre gestart, nog voor het M-decreet. Clara is hier ook nooit bestempeld geweest als “het inclusiekindje”. Ze heeft de hele kleuterklas inclusief onderwijs gevolgd dankzij de inzet van de leerkrachten. Daar is de basis gelegd. Hadden we dat niet gehad …

Wat doen jullie om visie scherp te houden op school?
Hilde: Onderling wordt er met de leerkrachten veel over gepraat en soms wijden we daar een personeelsvergadering aan. We proberen ook samen te zoeken zodat er gedragenheid is. Je hebt niet altijd iedereen direct mee, er zit ook in het schoolteam diversiteit. Maar door de kracht van de groep, de steun van de directie en door de positieve ervaringen die we al gehad hebben, lukt het wel.

Hoe zijn jullie na de inschrijving dan aan de slag gegaan?
Leen: Dat Clara specifieke onderwijsbehoeften had werd al snel duidelijk. We hebben het geluk gehad van altijd open en eerlijk te kunnen communiceren met de school. Als ouder hebben we dat zelf ook steeds gedaan. We hebben nooit geminimaliseerd of inspanningen vanzelfsprekend gevonden. Ik vind zelf inclusief onderwijs niet zo evident. We moeten echt heel goed luisteren naar wat de zorgen zijn op school en daar heel open voor staan. We hebben ook het geluk gehad dat we dat kunnen doen hebben bij een kleuterjuf die dat op een constructieve manier heeft aangepakt. Ook naar ons, als ouders toe. Daardoor was er een enorm vertrouwen. Die kleuterjuf was voor ons ook het eerste en voornaamste contact hierin.

Wat maakt dat er zo een open contact kon zijn met deze juf?
Leen: Dat lag echt aan haar persoonlijkheid. Ze is gewoon heel open en respectvol.

Hilde: Tussen jullie persoonlijk klikte het ook zeer goed dat maakte ook dat veel bespreekbaar was. Die open communicatie zoals Leen dat zegt, is een heel bepalende factor. Tussen Leen en mij was het bij aanvang minder evident, maar door de inspanning te leveren om open te communiceren is het in zeer positieve zin geëvolueerd. Uiteindelijk is het als ouder ook niet altijd gemakkelijk om zaken te horen die niet lukken. Als school is het ook moeilijk om deze zaken op een goede manier te communiceren. Het is allemaal zeer …

Beide: … broos.

Hilde: Je kan als school dan koppig zijn, maar dan geraak je niet vooruit. Langs beide kanten is er openheid gebleven. Ik denk dat dat een grote sterkte was. De spilfiguur was aanvankelijk wel deze eerste kleuterjuf. Clara heeft dan ook drie jaar dezelfde juf gehad in de kleuterklas. Dat was een bewuste keuze die we gemaakt hebben in samenspraak met de leerkracht en de ouders.

Leen: De openheid was er niet alleen bij deze kleuterjuf maar binnen de hele school. We hebben ontzettend veel geluk gehad dat wij van in het begin gehoord zijn als ouders. Heb je dan een leerkracht die niet goed aanvoelt waar het om draait, of zaken bespreekbaar kan maken, of een zorgteam dat geen ondersteunende houding aanneemt hierin, dan is de weg naar buiten vlug gemaakt.

Welke invloed heeft dit eerste contact gehad op jullie?
Leen: Dat is iets dubbel, enerzijds is dat iets bijzonder moois, dat wil ik echt benoemen, terzelfdertijd is dat ook iets heel kwetsbaar. Wat me soms bekruipt als ouder is het idee dat je afhankelijk bent van de goede wil van de school en de mensen die met je kind werken om naar jou te luisteren en met jou op pad te willen gaan.

Hilde: Ik kan dat ook in de omgekeerde richting zeggen vind ik. Ook wij zijn afhankelijk van de goede wil van ouders.

Ouders krijgen in overleg niet altijd de kans op volwaardig partnerschap. Hoe ziet jullie team eruit en hoe loopt dat?
Leen:
Als ouder hebben wij zeker een plaats in het team. Voor de rest bestaat dat uit Hilde, de directeur, het revalidatiecentrum en de GON-begeleiding. Op een bepaald moment hadden wij geen recht meer op GON-begeleiding omdat dit beperkt is tot twee jaar per onderwijsniveau. Toen ben ik als ouder zelf op zoek gegaan naar een ergotherapeut. Zo is ook Marieke erbij gekomen. We hebben eigenlijk drie keer chance gehad: een eerste keer met de school, een tweede keer met de juffen waar Clara bij in de klas zat en een derde keer met Marieke. Zij heeft bijzonder veel ervaring met kinderen met ontwikkelingsstoornissen en ook met inclusief onderwijs. Vanuit haar deskundigheid ondersteunt zij niet alleen Clara, maar ook de leerkrachten op school.

Hilde: Nu is er opnieuw GON bijgekomen, opnieuw beperkt voor twee jaar. We proberen ook telkens een student te vinden die vanuit een inclusiestage mee kan ondersteunen. Ook de ouders zitten telkens mee in het overleg en telkens twee leerkrachten: de klasleerkacht en de zorgleerkracht. Want die laatste zit ook regelmatig mee in de klas. De directeur probeert soms ook wel aan te sluiten wanneer hij kan. Als je het zo opnoemt is dat echt veel volk.

Hoe zorgen jullie ervoor dat al die mensen kunnen samenwerken?
Hilde: Doordat we al heel veel per mail communiceren en omdat we telkens iedereen in cc zetten, weet iedereen altijd waar we mee bezig zijn. Op de vergaderingen evalueren we telkens hoever we staan en wat nieuwe doelstellingen zijn of hoe we vorige moeten aanpassen. Ik coördineer dan dit team. Je kan bijna zeggen dat ik wat volg vanop afstand. Soms ga ik wel eens luisteren in de klas en neem ik ook een coachende rol op bij de studenten die stage lopen. Ook als er tussendoor een overleg nodig is, dan regel ik dat.

Welke rol neemt de ouder op tijdens dit proces?
Hilde: Ik vind dat de ouders vrij veel input kunnen geven. Hun stem is echt zeer waardevol want thuis begeleiden de ouders veel. Ze hebben dus veel informatie die wij ook kunnen gebruiken. Ze kennen Clara natuurlijk zeer goed en kunnen dan voor een insteek zorgen waar wij nog niet aan gedacht hebben. Mama zoekt dan ook actief mee naar oplossingen terwijl ze met het huiswerk bezig zijn bijvoorbeeld. Zo zal er binnenkort een toets zijn over metend rekenen. Dit is voor Clara een hele uitdaging, maar meester Kristof heeft op een aangepaste manier kunnen duidelijk maken aan Clara wat evenwijdige en snijdende rechten zijn. Deze toets nemen we ook een mondeling af met visuele ondersteuning waarop Clara zaken kan aanduiden en toelichten. Zo wordt er voortdurend gezocht naar oplossingen om Clara leervorderingen te laten maken. Dit gebeurd steeds in overleg, soms zijn er dan aanpassingen op school, maar sommige zaken neemt mama ook thuis op. De oplossingen worden samen gezocht.

Leen: Ik heb nooit het gevoel gehad dat de school me beschouwde als een moeial. De open, zoekende houding van iedereen maakt dat er oplossingen gevonden worden. Soms komt die insteek er via ons of de school of soms via andere mensen uit ons team.

Leen: Als ouder vind ik het hebben van nederigheid in het erkennen dat zaken moeilijk zijn toch wel belangrijk. Ik vind ook oprecht dat inclusief onderwijs niet zo evident is. Als je die nederigheid niet hebt, dan vrees ik dat het niet kan lukken.

Zegt dat iets over jezelf, over je zoekende houding?
Leen: Ik denk dat dat de enige manier is om tot iets te komen. Eerlijk, open, zoekend en niet ponerend. Daardoor krijg je ook gemakkelijker mensen mee op je weg.

Hilde: Dat is ook zo voor leerkrachten die een verscheidenheid aan leerlingen in de klas hebben. Als je jezelf in vraag blijft stellen en zoekend blijft, dan vind je altijd ergens wel een ingang. Ik ben al heel lang bezig binnen onderwijs, maar ik blijf mezelf toch nog steeds in vraag stellen. Dat is ook het boeiende aan deze job!

Hoe is dat voor Clara?
Hilde: Het is ook voor haar zoeken, maar voor Clara is de balans zeer goed in evenwicht. Zij straalt echt geluk uit, dit is voor ons een uiterst belangrijk gegeven. Dat was ook de ingesteldheid van Leen. Zolang Clara zich hier gelukkig voelt, heeft ze hier een plaats.

Leen: Als de druk te groot zou worden, of haar anders zijn als een probleem ervaren zou worden, moeten we een aantal zaken opnieuw in vraag stellen. Inclusief onderwijs heeft ook wel als gevolg dat zij met haar anders zijn geconfronteerd wordt want ze zit in een gewone klas. Zij is het meisje met ondersteuning in de klas en dat merkt zij ook op. We moeten er dan ook over waken dat haar ‘anders zijn’ niet geproblematiseerd wordt. Daarmee bedoel ik dat we niet mogen vergeten hoe Clara zich voelt bij de ondersteuning die zij krijgt. We proberen dan ook niet te normaliseren.

Is anders zijn, problematisch?
Leen: Hoeft niet, maar dat kan wel. Clara krijgt nu ze ouder is, wel regelmatiger vragen over haar anders zijn. Concreet krijgt zij van klasgenoten bijvoorbeeld de vraag hoe het komt dat, ondanks dat zij tien jaar is, nog maar in het derde leerjaar zit. Zij zegt dan heel duidelijk dat ze lang bij juf Joke gezeten heeft omdat ze daar graag was.

Hilde: Wanneer leerlingen dit aan mij vragen zeg ik: “Hier op school mag elk kind leren op zijn tempo.”. Die uitleg is voor hen wel voldoende.

Leen: Als ze blijven doorvragen heeft Clara op dit moment, niet de vaardigheden om daar meer uitleg over te geven, die vragen komen nu wel meer en meer. Maar tegelijkertijd vind ik dit soort confrontaties ook voor mij een kans om haar anders zijn ook met haar bespreekbaar te maken. Zij merkt bijvoorbeeld op dat anderen vlot rokjes kunnen tekenen, maar dat zij dat nog altijd niet kan. Dan leg ik haar uit dat dat inderdaad veel moeilijker is voor haar dan voor sommige andere kinderen, maar dat mensen ook gewoon heel erg verschillend kunnen zijn. We zoeken dan manieren om met die verschillen om te gaan. Soms ziet zij dat andere kinderen ook wel hulp nodig hebben. Ze vindt het dan fijn om te zien dat iedereen zijn hulpvraag heeft.

Hilde: Clara vindt ook beter en beter aansluiting bij de kinderen van haar klas vind ik.

Wat maakt dat dit beter en beter gaat?
Leen: Blijven proberen. Wij hebben nog momenten gehad waarbij we ons zorgen maakten dat Clara veel alleen was op de speelplaats. Maar dan stelde ik mezelf de vraag of dat Clara’s probleem was, of eerder het mijne.

Hilde: Clara had misschien de speeltijd nodig om rust te vinden.

Problematiseren volwassenen zaken die een kind zelfs nog niet zo bekeken had?
Leen: Natuurlijk! En dan leggen we daar met het hele team een vergrootglas op en zoeken we naar oplossingen. Ondertussen vindt Clara vanalles uit om daar niet aan te moeten deelnemen. Door dit uiteindelijk los te laten vindt dit ook wel weer zijn weg. Ook in die houding hebben we moeten zoeken. Loslaten is even belangrijk als oplossingen zoeken. Niet alles wat we proberen is een succes.

Moet je naast durven proberen ook durven falen?
Leen: Je mag dat niet zien als falen.

Hilde: Wat je dan ziet als falen is eigenlijk gewoon Clara die op dat moment aangeeft dat die aanpak niet de juiste is.

Leen: Als wij dat zouden zien als falen dan is dat voor een leerkracht heel frustrerend. We moeten ons vooral concentreren op wat wel lukt.

Al te vaak komt het zoeken naar ondersteuning op de schouders van ouders terecht. Hoe is dat bij jullie?
Leen: Wij zijn gezegende mensen in dat opzicht. Wij hebben al veel geluk hebben gehad met de mensen die wij zijn tegengekomen op onze weg waardoor het lukt. Maar niet iedereen heeft die chance om mensen te vinden zoals wij die hebben gevonden. In het geval van privé-therapie moet je ze ook kunnen betalen.

Hilde: Jullie als ouders begrijpen de situatie ook goed. Jullie kunnen meerdere perspectieven nemen en goed communiceren. Dat zijn ook vaardigheden die niet voor elke ouder vanzelfsprekend zijn.

Leen: Niet elke ouder hoéft die vaardigheden of mogelijkheden te hebben. In dat opzicht ben ik kritisch over inclusief onderwijs. Het moet voor iedereen toegankelijk zijn. Daar ben ik nu niet van overtuigd, en dat knaagt ook aan mij. Ik denk dat op deze manier, buitengewoon onderwijs nog meer een concentratie van kansengroepen zal zijn. Daar ben ik oprecht bezorgd over. Het M-decreet is van kracht gegaan zonder het te ondersteunen met een verschuiving van middelen. Dan ben ik beschaamd t.o.v. leerkrachten die in een klas van 26 leerlingen de diversiteit zien toenemen zonder dat zij daar in de klas meer in ondersteund worden.

Hilde: We moeten nu nog te veel roeien met de riemen die we maar hebben.

Jullie geloven in de geest van het M-decreet, maar jullie vragen meer boter bij de vis?
Leen: Inderdaad, er moet meer ingezet worden op ondersteuning in de klas. Visie is noodzakelijk, maar er worden meer en meer tussenkaders gecreëerd en daar heeft een leerkracht niets aan.

Hilde: Voor begeleiding moeten we ook teveel rekenen op stagiairs en vrijwilligers. We hebben meer steun nodig die door het beleid georganiseerd wordt. Want nu zijn er regelmatig nieuwe mensen. Voor een kind is dat ook niet ideaal. Tegen dat zij een kind en de manier van werken kennen, gaat er veel tijd verloren. Er moet meer continuïteit zijn.

Veel ouders maken zich zorgen over ‘wat na de school’ omdat ook vanuit de overheid weinig initiatief genomen wordt. Hoe is dat bij jullie?
Leen: Ja daar lig ik wel wakker van. We moeten van dag tot dag zien wat zich aandient en hoe Clara haar weg bepaalt. Het is een proces dat we samen doormaken. Intussen ben ik zelf gestart met een klein atelier waar ik taarten bak. Hier wil ik de inclusiegedachte echt in laten doorleven.

Heb je het gevoel dat je zelf iets moet opstarten om een ‘wat na’ verhaal te hebben?
Leen: Ik bedoel het atelier niet als een werkplek voor Clara later. Ik wil me eerder kunnen inleven in het hoofd van een werkgever. Ook die wereld wil ik leren kennen. Door hier ervaring in op te bouwen, wil ik leren omgaan met vragen die leven op de arbeidsmarkt. Arbeid is, denk ik, belangrijk voor mensen om er ook bij te horen, om betekenis te geven aan je plaats in de samenleving. Enerzijds wil ik die plaats graag bieden en anderzijds wil ook de traagheid graag binnenkrijgen in mijn huis.

De traagheid binnenkrijgen?
Leen: Ja, het anders zijn brengt vertraging. Ik denk dat we teveel gericht zijn op ‘vooruitgaan’. Als ik voor mezelf spreek toch.

Zie je arbeid dan eerder als een manier om zinvol deel uit te maken van de samenleving i.p.v. een gerichtheid op prestatie?
Leen: Niet enkel op prestatie. Ik ben ervan overtuigd dat het een en/en-verhaal kan zijn. We delen altijd alles maar op in hokjes. Terwijl ik denk dat dat niet hoeft.

Wat betekent die vooruitblik voor het huidige schooltraject?
Leen: Het is onvoorspelbaar want Clara heeft ons al vaak verrast.

Hilde: Ik denk dat we wel allemaal in dezelfde richting zitten en een doel hebben waar we graag naartoe willen werken, maar het is inderdaad onvoorspelbaar.

Ik hoor heel erg: we bekijken wat zich aandient.
Leen: Ja, maar wel met de oren gespitst hoor! Je mag niet onderschatten hoeveel planning en afweging er aan te pas komt. Het is niet zo eenvoudig als ‘we zien wel’. We werken wel doelmatig.

Hilde: Ja absoluut!

Maar wel met een bereidheid om zaken los te laten?

Leen: Inderdaad, door niet te veel druk te leggen op Clara kan je heel veel bereiken. Hoe minder druk je op een kind legt, hoe mooier het zich kan tonen, vind ik. Op het moment dat iets gelukt is, word je soms een beetje inhalig. Je verwacht onmiddellijk nog een stap meer. Dan kan je wel eens gefrustreerd geraken. Als je dat een beetje kan loslaten, dan ontplooit er zich soms wel iets moois.

Niet gemakkelijk voor een leerkracht om zijn doelstellingen los te laten.
Hilde: Ja dat is, denk ik, een van de moeilijkste dingen. Elk jaar opnieuw vertrekt de leerkracht vanuit zijn eindtermen en dan krijgt die te horen dat die moeten losgelaten worden. Maar ik denk wel dat onze leerkrachten onderling heel goed naar elkaar communiceren op welke manier ze dat loslaten moeten aanpakken. Het mooie aan Clara is dat ze het soms ook echt letterlijk zegt wat ze wel en niet ziet zitten. Daar is ze heel sterk in geworden.

Als je een advies zou mogen geven aan een ouder of een school om inclusief onderwijs zo positief mogelijk aan te pakken, wat zou dat zijn?
Hilde: Blijf goed waken over het goed gevoel van het kind. Wat daarom niet wil zeggen dat je het direct moet opgeven! Kijk goed naar de signalen die kinderen geven en doe er iets mee.

Leen: Welbevinden is iets zeer subjectief natuurlijk. Wat voor een school welbevinden is, kan door een ouder bijvoorbeeld helemaal anders ervaren worden. Als ouder zou mijn advies aan andere ouders zijn om een grote mate van creativiteit en nederigheid te tonen.

Creativiteit en nederigheid?
Leen: met nederigheid bedoel ik het eerlijk durven benoemen dat iets echt moeilijk is. Niet alleen voor de school, maar ook voor de ouders. Mensen gaan vaak in de strijd. Daarbij willen ze anderen overtuigen dat het allemaal best meevalt. Maar eigenlijk is dat niet zo. Ik vind dat oprecht moeilijk, zowel voor ons als voor de school. Met nederigheid bedoel ik niet dat ouders zich afhankelijk moeten opstellen van de school, maar eerder dat er wederzijds begrip en respect nodig is. Daarnaast is een grote portie creativiteit nodig om in alle opzichten buiten de lijnen te durven denken.

Wat zorgt ervoor dat je je überhaupt nederig kán opstellen?
Leen: Dat heeft vooral met de schoolcultuur te maken. Vrijuit kunnen spreken is daar heel belangrijk in.

Hilde: Dan moet binnen die communicatie ook alles goed begrepen worden. Enerzijds zijn goede bedoelingen en eerlijkheid naar elkaar daarin belangrijk. Anderzijds moet je het als ouder ook allemaal kunnen begrijpen en kunnen uitleggen. Voor de ene ouder is dit al gemakkelijker dan voor de andere. We proberen altijd veel te communiceren in de hoop dat het zo duidelijk mogelijk is.

Leen: Mijn boodschap naar onderwijs is niet naar leerkrachten maar vooral naar beleid: kijk eerlijk naar het M-decreet. Voor mij is het onbegrijpelijk dat leerkrachten het M-decreet moeten uitvoeren zonder dat er middelen tegenover staan. Ik vind het niet vreemd dat leerkrachten steigeren bij het M-decreet. We mogen niet wachten op de eerste burn-outs om te investeren.

Nog nuttige adviezen?
Leen: Ja, oplossingen vinden is iets dat organisch groeit. Het is altijd onze ingesteldheid geweest om open te kijken naar wat zich aandient. Als je dan heel goed kijkt en verwachtingen kan aanpassen, is er veel mogelijk. Dit proces vraagt wel tijd, maar deze zoekende houding om samen aan de slag te gaan geeft wel resultaat. Je voelt je ook op jezelf botsen en je kan je ook in de plaats van de leerkracht stellen. We gaan daar niet onnozel over doen, ook zij weten het niet altijd, en ik begrijp dat dat frustrerend kan zijn. Als ouder kunnen wij dat ook ervaren. Door zelf te botsen tegen een aantal grenzen, kunnen we perspectief nemen en zoeken we mee naar mogelijkheden. Hierdoor kunnen we elkaar wel goed …

Hilde: … aanvullen.

Dan bedank ik jullie graag voor dit gesprek.
Het volledige rapport kan je hier downloaden.


Sam – Overstap naar het eerste leerjaar

Sam

Overstap naar het eerste leerjaar

Vorig schooljaar liep het voor Sam helemaal vast. Waar het in kleuterklas wel nog lukte voor de school om haar mee op te nemen in de klas, bleek het aankomende 1ste leerjaar plots een brug te ver te zijn.

Het Steunpunt voor Inclusie heeft samen met de ouders van Sam een bemiddeling opgestart waarbij ook Downsyndroom Vlaanderen en UNIA betrokken waren.

Ondanks alle inspanningen kwamen we met de school niet tot een overeenkomst en werd Sam uitgeschreven uit de school.

De ouders zijn op dit moment samen met UNIA en met Steunpunt voor Inclusie verdere stappen aan het ondernemen.

In tussentijd is Sam gestart in het eerste leerjaar in een nieuwe school waar hij met open armen ontvangen werd! Zijn ouders zetten de deur even op een kier en we kunnen even binnenkijken.

“Onze zoon is in september gestart in het eerste leerjaar. Hij heeft het syndroom van Down en gaat naar een gewone school. Daar is hij met open armen ontvangen. Hij draait goed mee in het klasgebeuren, en dit dankzij een enthousiaste klasjuf en de nodige aanpassingen. Hij krijgt ondersteuning van een geweldige ION juf en ook een stagestudente helpt in de klas.

Het gebeurt ook wel dat hij moe is en geen zin heeft om de oefeningetjes te maken die hij krijgt van de juf. Dan mag hij eventjes achter in de klas spelen met zijn vertrouwde auto of rustig kijken in zijn favoriete boek.

Hij heeft zich snel aangepast aan de nieuwe school en is heel graag gezien door zijn klasgenootjes. Hij straalt als hij thuiskomt en toont apetrots wat hij die dag geleerd heeft op school : Kijk, tellen. Mama, lezen!

Hij gaat heel graag naar zijn nieuwe school.”


Merel – Naar de eerste kleuterklas

Merel

Naar de eerste kleuterklas

door Monica Vanaudenhove (mama van Merel)

Merel, 4 jaar geworden in februari, is de kleine zus van Joran en Ewout, maar ook de grote zus van Jasper en Eva. Toen Merel 2,5 jaar was, gingen we op zoek naar een school. Merel was de crèche ontgroeid. Omdat ze nog geen aanstalten maakte om te stappen, gingen we op bezoek in een school voor buitengewoon onderwijs. Daar konden ze haar de gepaste kinesitherapie en logopedie geven. Merel kwam in een klasje met 6 kindjes terecht. Ze paste zich snel aan aan het dagelijkse klasgebeuren, leerde veel bij en ging graag naar school. De school was echter niet bij de deur en over de middag bleef Merel eten op school. Na de middag haar dutje en rond 16 uur kwam Merel met de bus naar huis. Het was een prima school: veel contact met de juffen en de therapeuten, echt een warme school.

In februari 2013 waren we naar een contactavond geweest van ‘ouders voor inclusie’. Daar hoorde ik de verhalen van kinderen met Down op de gewone school. Ik vond het een geweldig idee. Onze Merel op school in ons dorp, waar ook de 2 oudere broers naar school gaan. Omdat Merel heel veel imiteert, hoopten we ook dat ze veel zou bijleren van de andere kleuters. Natuurlijk hadden we ook veel vragen. Zal Merel wel gelukkig zijn in een grote klas met meer dan 20 kindjes? Merel stapt nog niet. Hoe zal dat gaan in de klas en op de speelplaats? Merel draagt nog pampers. Wat met de kine en de logo?

In mei van vorig jaar besloten we om eens te gaan praten met de basisschool in ons dorp. Het was een positief gesprek. Merel was welkom op de school, dat was duidelijk. Het moment om Merel te laten starten was een punt van discussie. De school was niet overtuigd dat 1 september wel een haalbare kaart was. Merel stapte nog niet, haar aandacht voor een taak was nog kort en ze was nog niet zindelijk.

Als ouders hadden we het gevoel dat Merel er wel klaar voor was. Oké Merel stapte nog niet, maar met de buggy in de klas en op de speelplaats was toch een oplossing? Merel is een rustige en sociale kleuter, dus in de klas zou dat toch wel meevallen? Zo hoopten we toch. Onze dank gaat dan ook uit naar Mieke van Downsyndroom Vlaanderen, ze gaf ons veel goede raad en nam de twijfel weg. En zo schreven we Merel in in de eerste kleuterklas op de school in ons dorp.
Het was dan eind juni en een heleboel praktische zaken moesten nog geregeld worden. We dienden een aanvraag in voor Gon-begeleiding. Dit zou een goede hulp zijn voor de kleuterjuf. Na veel vijven en zessen kreeg Merel een Gon-juf. Zij komt 2 uur per week naar school en helpt Merel bij de klasactiviteiten: knutselen, stempelen, puzzelen, een uitstap, … Een grote hulp voor de klasjuf.

We informeerden bij de opleiding orthopedagogie van de UGent en bij de hogeschool Vives naar een stagestudent die Merel en de kleuterjuf zou kunnen helpen bij de activiteiten in de klas. Ook hier hadden we geluk: een studente komt elke week een voormiddag de klasjuf helpen.

Uiteindelijk is Merel op 9 september gestart in de 1ste kleuterklas. Ze gaat in de voormiddag naar school en dat doet ze heel graag. ’s Middags haal ik – mama Monica – Merel iets vroeger dan de andere kleuters af van school. Dit heeft als voordeel dat ik nog eens met de juf kan spreken hoe Merel haar dag was. Voor al onze vragen vonden we wel een oplossing. Merel gaat met de buggy van de speelplaats naar de klas. De andere kleuters mogen al eens de juf helpen om de buggy te duwen. In de klas verplaatst Merel zich door op de poep te schuiven.

De zindelijkheidstraining loopt minder vlot dan we hadden gehoopt. Merel krijgt soms wel een verse pamper in de klas. Maar goed, we zien wel wanneer Merel er klaar voor is.

Er is 2 keer in de week sport of bewegingsactiviteit voor de kleuters. Voor Merel komt de kinesiste één keer naar school tijdens de sportactiviteit van de andere kleuters. Zo kan Merel onder individuele begeleiding de turnlessen meevolgen op haar niveau. De kinesiste komt ook eens in de namiddag bij ons thuis en dat is ook interessant. Zo krijgen we nuttige tips om Merel te leren stappen, springen, fietsen, … In februari zette Merel haar eerste stappen. En nu stapt ze overal parmantig rond als een echte juffrouw.

We hebben een logopediste gezocht die in de voormiddag naar school gaat In de logo wordt het weekthema van de klas (Pasen, kleuren, Moederdag, …) verder geoefend met Merel, 2 keer een half uurtje per week, in kleine stapjes en iedere keer met een paar nieuwe smogwoordjes.
Haar jas zelf aandoen – de truuk met de Jas over hoor hoofd – heeft Merel heel snel afgekeken van de klasgenootjes. Leuk om te zien hoe goed ze dat doet.
Ook haar jas en boekentas aan de kapstok hangen bij haar symbooltje had ze snel onder de knie. Ze imiteert en leert heel veel van de andere kleuters.

En na de eerste week kregen we een prachtige brief van de kleuterjuf van Merel. We laten jullie meelezen. “Spannend hoor … Merel in onze klas … Ze stelt het goed. Ze is op haar gemak en beleeft mee, ontdekt en geniet. Vooral na een speeltijd is ze levendig. Af en toe zoekt ze contact. En soms daagt ze uit door recht te gaan staan i.p.v. te blijven zitten, door te stompen met de vuisten op de kast … Ze zal ook wel wennen aan onze gewoontes, de afspraakjes. Een pluim en een dikke duim.”

Als ik Merel ‘s morgens naar de speelplaats breng, komen er al vlug een paar kindjes (meestal meisjes van de 3de kleuterklas) om Merel een handje te geven tijdens het stappen of om haar een knuffel te geven.

Op de speelplaats zet ik nog altijd de buggy klaar, alhoewel ze nu kon stappen. Soms heeft de juf al haar handen vol met de andere kindjes of soms wil (of durft) Merel niet zo goed stappen op de volle speelplaats, bang om omver te worden gelopen. Voor Merel is het ook nog moeilijk om mooi op de stip in de rij te gaan staan als de bel rinkelt en dan biedt de buggy soelaas.

Als ik ergens wandel met Merel hoor ik heel vaak ‘kijk dat is Merel’ roepen door andere kindjes. Het treft mij dat Merel eigenlijk heel graag is gezien door de andere kleuters. Ze willen zich allemaal ‘ontfermen’ over haar. Merel is een lief en sociaal kind, maar helemaal geen doetje. Als ze iets niet wil of niet graag heeft,laat ze dit duidelijk merken door een ‘nee’! Ze staat zeker haar mannetje.

Ondertussen gaat Merel al een half jaar naar de nieuwe school. Het is voor Merel heel leuk, maar ook wel vermoeiend. Merel leert veel bij en stelt het goed op haar nieuwe school!

Uitgave van ‘Tripliek’ nr. 50, tijdschrift van Downsyndroom Vlaanderen


Evelien – Inclusie in het secundair en stage in de kribbe

Evelien

Inclusie in het secundair en stage in de kribbe

Toen Evelien 7 maand oud was hadden haar ouders opgemerkt dat ze trager was dan andere kinderen. Ze hebben haar dan onmiddellijk laten onderzoeken om te weten wat er juist aan de hand was.
Evelien kreeg de nodige behandelingen en begeleiding. Hierdoor maakte ze een groot deel van haar opgelopen achterstand in een paar maanden goed.

Hoe verliep de schoolcarrière van Evelien?
De kleuter- en lagere school

Evelien ging naar een gewone kleuterschool, wat zonder problemen verliep. In de lagere school was dit niet zo vanzelfsprekend. Al gauw rezen er enkele problemen op.
De klastitularis, bij wie Evelien in de klas zat, zag alles goed zitten, maar de directie was minder positief. Met gevolg dat men Evelien naar een andere school doorverwees.
Ze ging vanaf dan naar het buitengewoon onderwijs (type 2). Het eerste jaar was ze daar echt gelukkig en maakte ook zeer veel vorderingen. Evelien stond zelfs verder dan de andere kinderen en hierdoor zou ze eigenlijk passen in een gewone lagere school. Toch zag de directie van deze lagere school het nog steeds niet zitten om haar in de school op te nemen.
Haar ouders begonnen een zoektocht naar een bereidwillige inclusieschool. Want de lessen in het buitengewoon onderwijs konden Evelien niet meer boeien. Men had er zelf voorspeld dat ze nooit zou kunnen lezen of schrijven. Maar haar ouders hebben haar zelf thuis leren lezen en op de gewone school heeft ze op een maand tijd leren schrijven. Het verdere verloop in de lagere school verliep redelijk goed. Ze is wel nog een jaar extra in de lagere school gebleven.

Het secundair onderwijs

Toen ze 14 jaar was, is Evelien begonnen in het secundair onderwijs. In haar eerste school heeft ze het volledige lessenpakket gevolgd, behalve wiskunde. Daar kreeg ze individueel les voor. Ze mag hiervoor rekenen op het PAB (persoonlijk assistentie budget), maar het was heel zwaar. Verder waren er ook communicatieve problemen met de leerkrachten in kwestie. Na de paasvakantie moest Evelien de school verlaten.
Haar ouders zochten een nieuwe school waar Evelien de richting Verzorging zou kunnen volgen. Ze hadden na lang zoeken een nieuwe school gevonden. Om stroeve communicatie in de toekomst te vermijden, werden er onmiddellijk goede afspraken gemaakt.
Evelien zou nooit een diploma halen en elk jaar dus eindigen met een C-attest, ze mocht wel steeds overgaan naar het volgende schooljaar. Dit C-attest zorgde er ook voor dat de school nog subsidies zou krijgen en zo had Evelien ook een bewijs dat ze steeds aanwezig was geweest gedurende het hele schooljaar.
In het eerste jaar kreeg ze het volledige lesprogramma, maar dit werd wel aangepast. Evelien kreeg soms andere taken of opdrachten die zelfs buiten het schoolgebeuren lagen.
Enkele voorbeelden: De leerlingen van haar klas moesten een tijdlijn maken voor geschiedenis en Evelien mocht een tijdlijn van haar eigen leven maken.
Ze hielp ook mee in de eetzaal.
Het volgende jaar werd Evelien ingeschreven als ‘vrije’ leerling. Een vrije leerling heeft een eigen lesprogramma en is niet gebonden aan bepaalde attesten. De school krijgt voor deze leerling geen subsidies.
Zij begon dit jaar met gemotiveerde leerkrachten die met haar wilden werken. De directeur had eerst nog zijn twijfels over Eveliens aanwezigheid in de school. Daarom ging hij bij Eveliens klasgenoten peilen hoe zij erover dachten. Die waren zeer positief waardoor de directeur ook besloot om haar voor 100% te steunen.

Hoe zit het nu met Evelien?

Evelien volgt nu een halve dag les en een halve dag stage. Deze stage loopt voornamelijk in een kinderdagverblijf. Een halve dag moet ze ook bureauwerk doen en een andere halve dag helpt ze eveneens de juf in de kleuterschool
Haar lessenpakket bestaat vooral uit koken, verzorging, beweging en Engels. Zij werkt ook nog enkele projecten uit, die kunnen gaan over de euro of andere dingen.
Momenteel is dit voor haar een heel goede combinatie van school en stage. Wat op de stage niet goed lukt, kan men op school bijwerken.
Evelien is het liefst in het kinderdagverblijf. Ze maakt er eten klaar, geeft de kinderen eten, verschoont ze, legt ze te slapen, speelt ermee, … Kortom ze doet alles wat een gewone verzorgster moet doen. Met de kinderen heeft ze een heel goed contact. Ook de verzorgsters van de kribbe zijn zeer tevreden over het werk en de inzet van Evelien.
Na een dagje in het kinderdagverblijf is Evelien ‘s avonds heel moe. Ze moet zich dan even afsluiten van de buitenwereld en naar muziek luisteren om daarna haar moeder thuis nog een beetje te helpen.

Hoe zit het met Eveliens toekomst?

De ouders van Evelien hopen dat zij haar middelbare studies volledig kan afmaken. Ze zou in het middelbaar naar school blijven gaan tot haar 21 jaar. Zo maakt ze een volledige schoolcarrière mee. Evelien zelf hoopt zo snel mogelijk voltijds met kinderen te kunnen werken. Want dat wordt ongetwijfeld haar droomjob!


Sofie – Ouders dromen en een team van mensen dat van je kind houdt

Sofie

Ouders dromen en een team van mensen dat van je kind houdt

door Rita Stevens (mama van Sofie)
februari 2006

Bij kinderen horen dromen…
Net als zoveel andere ouders gingen we ons tijdens de zwangerschap niet alleen praktisch voorbereiden maar gingen we ook aan het dromen.
Een projecteren van onze verwachtingen, onze verlangens in het toekomstperspectief van het kind dat moet geboren worden.
En dat is goed… dat is deugddoend… een mens moet kunnen dromen.
Maar soms zijn dromen bedrog.
Bij de geboorte van Sofie viel die droom aan scherven.
We werden geconfronteerd met een kind dat, verbonden met buisjes en slangetjes, door machines in leven werd gehouden.
De toekomst werd plots één groot vraagsteken.

Het is verbazingwekkend welke veerkracht een mens in korte tijd ontwikkelt om de meest penibele situaties het hoofd te bieden.
Eerst is het zoeken naar een evenwicht om te overleven, maar na verloop van tijd lukt het om een kleine stap verder te zetten en van die puur praktische zorg te durven op zoek gaan naar kwaliteit van leven.

Sofie begon haar schoolloopbaan in het Buitengewoon Onderwijs.
Maar we hadden het gevoel dat ons daar opnieuw een stukje droom werd afgenomen.
Dat stukje waar we droomden om, zoals alle andere ouders, gewoon mama en papa te mogen zijn.
Misschien door té grote bekommernis om ons extra zorg uit handen te nemen, werd ons ook een stukje ‘ouder zijn’ afgenomen.
Er werd voor ons bepaald welke therapieën goed waren voor ons kind en men deelde ons mee wanneer bepaalde onderzoeken gepland of al gebeurd waren.
Men besliste in onze plaats dat Sofie (nog) niet tot ondersteunde communicatie in staat was “want onze jarenlange ervaring met deze kinderen heeft ons geleerd dat zij ons eerst het signaal moeten geven dat ze tot communicatie in staat zijn”
We bleven er echter van overtuigd dat Sofie er het meest bij gebaat was om op te groeien en naar school te gaan in haar natuurlijke omgeving.
Dit zou natuurlijk extra zorg, veel creativiteit en een goed netwerk vragen.
We gingen met enkele mensen rond tafel zitten en het eerste team van Sofie was een feit.
Op 1 september 1999 reed onze dochter de schoolpoort van het St.-Salvatorinstituut in Gent binnen.
Ze heeft ondertussen al een lange weg afgelegd en zit nu in het 1ste middelbaar.

Toen we op zoek gingen naar dat eerste team was het Kathleen Mortier die ons zei dat we gewoon moesten zoeken naar mensen die Sofie graag zien en bereid waren met ons op weg te gaan.
Mensen die geloven dat ze ondanks haar beperkingen haar plaats verdient in onze samenleving en ons veel te bieden heeft.
Mensen die bereid zijn haar de ruimte te geven zelf haar kwaliteit van bestaan te bepalen.
Mensen die onze keuze respecteren en ons daardoor een stukje van onze droom terug gaven.
Waarom viel onze droom aan scherven toen Sofie geboren werd?
Omdat ons kind niet voldeed aan het ideaalbeeld dat we gecreëerd hadden.
En omdat men ons die eerste jaren vooral confronteerde met wat allemaal niet meer zou kunnen.

We hebben eerst afscheid moeten nemen van het kind dat we droomden, om dan opnieuw te durven gaan dromen van en met het kind dat we kregen.
Sofie haar team heeft hier een belangrijke rol bij gespeeld.
Ze gaven ons in de eerste plaats ons kind terug en wij mochten opnieuw ouder zijn!


Lucas – Zoektocht naar een school

Lucas

Zoektocht naar een school

door Els De Smedt (mama van Lucas)
maart 2001

Voorstelling

Lucas is 3 jaar geworden in september. Hij heeft een motorische handicap, spastische quadriplegie heet het in vaktermen. Dit betekent dat hij motorisch vrij zwak is: hij kan zitten met steun, hij heeft meestal een aangepaste stoel nodig. Hij stapt niet, dus is hij voor zijn mobiliteit aangewezen op hulp. Mentaal evolueert hij goed, wel wat trager, maar hij maakt elke dag vorderingen. Taal is zijn sterke punt, zowel passief (hij begrijpt alles voor zijn leeftijd) als actief. Hij kan heel goed uitdrukken wat hij wil en vertelt honderduit over wat hem bezighoudt.

Sinds hij 6 maanden oud is, krijgt Lucas meerdere malen per week therapie. Hierbij gaat de meeste aandacht uit naar de ontwikkeling van de grofmotorische functies. Tot zijn 3 jaar ging Lucas naar een gemengde- kinderkribbe, waar hij ook kine-, ergo- en logopedie kreeg. Die kribbe was een heel goede voorbereiding op de kleuterklas. Sinds 2 weken gaat Lucas nu naar school: een vrije basisschool in Bottelare (Merelbeke), met in totaal ongeveer 280 leerlingen.

Motivatie: waarom kiezen voor gewoon onderwijs?

Toen Lucas ongeveer 2 jaar was, bezochten we een type-4 BO-school. We hadden ons voorgenomen om zeker ook hier eens ons licht op te steken alvorens de keuze te maken. Tot onze verbazing viel het daar best mee: de kinderen leken zeer gelukkig, de speelplaats was een echte “autoscooter” waar rolwagens achter elkaar aanreden, de juffen waren zeker vriendelijk en de klasjes klein. Bovendien hoef je daar niet met hand en tand uit te leggen wat de handicap van je kind nu precies inhoudt, en je moet ook niet zelf zorgen voor extra ondersteuning.

Waarom dan toch geen BO?
Geen keuze

Heel vaak merk ik bij anderen dat zij met veel ijver en veel energie op zoek gaan naar de juiste school voor hun (niet-gehandicapte) kind. Kleine school of grote school? Klassiek onderwijs of een methodeschool? Freinet of Steiner? Buurt of stad? Het is evident, en niet meer dan normaal dat hier ernstig over wordt nagedacht.

Wanneer je kind ‘voorbestemd’ is voor het type-4 onderwijs, dan heb je de keuze uit 2 scholen, binnen een straal van 50km. Je hebt dus eigenlijk geen keuze. Het enige criterium dat dan nog een rol speelt, is de handicap. Terwijl ik ook een school wil kiezen en mij wil laten leiden door de visie die uitgedragen wordt, een visie die moet overeenstemmen met onze gezinscultuur, ons mens- en maatschappijbeeld.

Segregatie

Een doorsnee school is een afspiegeling van onze maatschappij. Het is een ‘mini-samenleving’. Een school voor buitengewoon onderwijs is dat -volgens mij- niet. Kinderen opvoeden betekent hen begeleiden tot zelfstandigheid. Dit geldt zeker voor onze zoon. Het is mijn streven dat hij ooit, als volwassene, zal terechtkomen in de (gemengde!) samenleving en dus vind ik het evident dat hij die samenleving al van in de kleuterklas leert kennen. Een betuttelende omgeving is misschien leuk voor even, maar daar leer je geen weerbaarheid. En dat is iets wat voor ieder mens onontbeerlijk is. Bovendien heeft Lucas het recht om deel te nemen aan alle schoolse activiteiten, maar dan op zijn manier. En dat is veel beter dan helemaal niet deelnemen.

Mag ik iets meer verwachten?

Mij wordt er soms verweten dat ik te veel eis van mijn kind, dat ik hem meer zou moeten aanvaarden ‘zoals hij is’. “Heb minder aandacht voor zijn beperkingen?” Maar, zijn scholen voor buitengewoon onderwijs niet juist gebaseerd op de beperkingen van de kinderen? De verschillende types zijn ingedeeld volgens handicap …. Een kind kan pas evolueren wanneer je er bepaalde verwachtingen tegenover stelt. Want dat is juist het bewijs dat je gelooft in zijn kunnen. Dit is de plicht van elke ouder, en het recht van elk kind, met of zonder handicap.

Inschrijving en geen opname

Bij ons bezoek aan de BO-school raakten we onmiddellijk verzeild in de ‘residentiële wereld van de gehandicaptenzorg’. Onze zoon zou niet worden ‘ingeschreven’ zoals in elke gewone school, maar er werd gesproken over ‘opname’. “Moeten onze kinderen dan hier blijven overnachten?” vroeg één van de bezorgde moeders. Mijn zoon wordt niet ‘opgenomen’: als het gaat over zijn opvoeding, wil ik zelf de eindverantwoordelijkheid dragen, maar ik vrees dat dit niet altijd mogelijk is binnen het buitengewoon onderwijs.

De stap

We kenden een aantal verhalen van geslaagde projecten ‘inclusie’. Via contact met deze ouders en met de vakgroep orthopedagogiek van de Universiteit Gent hebben we beslist om ook de stap te zetten. We hebben onszelf wel beloofd dat we voortdurend zouden evalueren en vooral zouden kijken naar hoe het Lucas zou vergaan. De keuze voor het gewoon onderwijs is echter geen verwerping van het buitengewoon onderwijs; we houden goed in het achterhoofd dat deze mogelijkheid er nog altijd is. Onze bedoeling met ons kind is dezelfde als voor ieder ander kind dat op 3 jaar naar school gaat: vaardigheden aanleren, grenzen leren kennen, vriendjes maken.

De voorbereiding
4 scholen

Ons eerste kind en een gemeente waar we nog maar 2 jaar woonden. We waren helemaal niet bekend met het aanbod van de scholen. Er is veel keuze in Merelbeke. Dus ik begon mijn ‘informatieronde’ zoals ik zou doen moest Lucas geen handicap hebben. Via folders, het internet en ervaringen van anderen selecteerde ik vier scholen die in aanmerking kwamen. De dichtsbijzijnde school; een kleine afdeling van de gemeenteschool; een vrije school in Bottelare die, naar ik had horen vertellen, als school heel wat te bieden heeft.

Eerste telefonisch contact (mei 2001)

Het eerste contact met de scholen verliep via de telefoon. Ik belde naar de directie, vertelde hen over mijn zoon die in september naar school zou gaan. Ik lichtte hen meteen in over zijn handicap en dat we een school zochten die bereid was mee te werken. Ik vertelde ook dat het niet onze bedoeling was om iemand te ‘bekeren’, en dat ik me er van bewust was dat wat we vroegen geen evidente vraag was. Elk telefoontje werd afgesloten met een afspraak. Wij zouden kennismaken met de school en ondertussen wat over Lucas vertellen. (We hadden ons voorgenomen om heel open te zijn over zijn handicap.) Op voorhand hadden we onszelf beloofd er geen kruistocht van te maken: ik zou niemand overtuigen, ik ging op zoek naar bereidwillige mensen, die eerst en vooral onze opvattingen over inclusie deelden. Pas dan werd er verder ‘onderhandeld’.

Bezoeken
School 1

De directeur vertelde over een gesprek dat ze had met een vriendin. “Lucas zou in het BO toch meer kansen krijgen.” Toch wou ze het proberen, als de juf het zag zitten. “Het is tenslotte de juf die het moet doen.”

School 2

“Al was het maar uit onze christelijke overtuiging,” zei de directeur aan de telefoon. Toch viel dit bezoek niet echt mee. De sfeer in de school en het aanbod lag ons niet echt. We hadden zelf al beslist dat dit niet de gepaste school zou zijn voor ons kind. Een maand later ontvingen we een brief van de directeur dat de school het niet zag zitten, omwille van hun infrastructuur die toch niet aangepast was. Wat dat betreft, zaten we dus duidelijk op dezelfde golflengte.

School 3

Hier ontmoetten we een heel enthousiaste directeur, met een open visie over inclusie. Hij toonde enorm veel interesse voor Lucas, stelde veel praktische vragen en zocht met ons mee naar oplossingen. Hun besluit was dat ze het als school zeker wilden proberen, als wij als ouders bereid waten om regelmatig te overleggen daar waar nodig. Het contact met de juffen viel ook goed mee, maar we werden wat afgeschrikt door de grootte van de school. Daarom stelden we voor om eens langs te komen met Lucas, in de klas.

School 4

In deze school hadden we enkel contact met de juf van de klas. Zij was onmiddellijk bereid om mee te werken. De kleinschaligheid van de school was voor ons een groot pluspunt: het was een kleine, gezellige, overzichtelijke school waar iedereen Lucas direct zou kennen en omgekeerd. De jus besliste hier echter alleen over, de directeur stond wel achter de idee, maar alle afspraken e.d. waren voor de juf.

Onze keuze

School 3 en school 4 werden door ons weerhouden. School 3 omwille van het enthousiasme van de directie, en van de ondersteuning en de continuïteit waar we bijgevolg van verzekerd waren. School 4 omwille van de kleinschaligheid, waar je gemakkelijker iemand leert kennen. We bezochten beide klassen en stelden Lucas voor aan beide juffen. We gingen naar de opendeurdagen van beide scholen. Uiteindelijk (eind augustus) ging onze voorkeur toch uit naar de continuïteit en de ondersteuning van de directie, en kozen we school 3. Dat is het OLVR Visitatie in Bottelare. Deze school lag ons ook het meest wat hun “schools aanbod” betreft. Ze gaf ons het beste gevoel dat Lucas daar goed omringd zou worden.

Praktische afspraken

Om tot een zo goed mogelijk resultaat te komen, is het belangrijk dat er reeds van in het begin duidelijke afspraken gemaakt worden tussen alle verschillende betrokkenen:

Lucas zou starten op 1 oktober 2001, omwille van een behandeling die nog doorliep tijdens september. Dit leek ons goed meegenomen: zo konden de juf en de andere kinderen al goed ingeburgerd zijn.

Ik besprak de therapie die Lucas zou krijgen en hoe we die konden inpassen in de uurrooster. Iedereen was hier heel bereidwillig en flexibel rond.

Samen met de directeur werd de weekplanning bekeken en werd er aangeduid waar moeilijke momenten op te vullen zijn (een kinderverzorgster in de klas, tijdens de gym, GON-begeleiding, privé-therapie op een druk moment in de klas, opvang over de middag). Ik maakte hiervan een schema voor de juf.

We gingen, samen met de GON-begeleidster en de kinesiste, op zoek naar een aangepaste stoel voor Lucas in de klas. Hoofdbedoeling hiervan was dat Lucas veilig en comfortabel kon zitten tussen de andere kinderen.

Er kwam ook een bijeenkomst met alle kleuterjuffen, Lucas en wij. Er werd heel open verteld over Lucas, zijn handicap en zijn evolutie, de therapie die hij volgt, de prognoses, …. We maakten eveneens onze verwachtingen duidelijk: waarom we voor het gewoon onderwijs kiezen, maar geen speciale behandeling wensen, dat we willen dat Lucas zoveel mogelijk dingen kan samendoen met de andere kinderen (participatie) en dat we openheid vragen. Ook met hen werden een aantal praktische zaken overlopen (de speeltijd, mobiliteit, nood aan aangepast materiaal, …).

Samengevat
Geleidelijke voorbereiding

We zijn met onze zoektocht een viertal maanden bezig geweest. We hebben verschillende contacten gelegd, we trokken verschillende keren met Lucas zelf naar de scholen. De vragen en bedenkingen komen niet ineens, maar groeien met de tijd. Iedereen moet die tijd krijgen om te wennen en om zich voldoende te informeren. Zo kwam het dat de eerste schooldag voor Lucas niet vreemd aandeed; we hebben er samen naartoe geleefd.

Informatie

Er is geen tekort aan enthousiaste mensen. De meeste zijn niet bang om extra werk op zich te nemen. Maar wat die mensen vooral afremt, is onwetendheid en angst. “Kan ik niets verkeerd doen? Doe ik het wel goed? Ontbreekt dit kind niets?” Inclusief onderwijs kan enkel slagen mits voldoende informatie en ondersteuning voor de leerkracht en de school. Informatie houdt ook in: openheid en eerlijkheid over de handicap van je kind en duidelijk maken wat je verwacht van de school.

Engagement = betrokkenheid

We zijn ons er terdege van bewust dat de school, en in de eerste plaats de juf een zeker engagement aangaan. Engagement betekent betrokkenheid. De juf maakt nu deel uit van de groep mensen die zich extra inspannen voor Lucas.

Dit is niet evident

We communiceren dit van in het begin. Daartegenover stellen we dat als er problemen of vragen zijn, we dit moeten bespreken en dat we ZELF ook zullen meezoeken naar oplossingen. De directeur stelde dit als enige voorwaarde. Hiervoor kunnen we een beroep doen op het netwerk ‘Ouders voor Inclusie’, en de ervaringsdeskundigen waarmee zij zich omringen.

Evalueren

We moeten er voordurend over waken dat Lucas zich goed voelt, dat hij kan participeren aan de activiteiten -maar dan op zijn manier- en dat hij evolueert. De keuze voor het gewoon onderwijs is een keuze waar in de eerste plaats onze zoon beter van moet worden, en niet wijzelf. Op voorhand is afgesproken dat we continu zullen overleggen en bijsturen waar nodig. Informeel overleg gebeurt bijna dagelijks.

Tot slot

De eerste 2 weken zijn heel vlot verlopen. Lucas is nu al verliefd op zijn juf. Iedere morgen vertrekt hij met veel plezier en op woensdagnamiddag vraagt hij om naar school te gaan. Ook voor de juf is het een meevaller. Voor de grootouderdag in november denkt ze nu al hoe ze hem kan betrekken bij het geheel. We lopen op wolkjes en dan neem ik het er graag bij dat Lucas op de avond van zijn eerste schooldag heel formeel tegen mij zei: ” Mama, jij bent nu de juf. Goedemorgen juf!

Hoe zag en zie ik inclusief onderwijs?

Door Ann Van den Daele, leerkracht van Lucas in het eerste leerjaar

Vooraf

Lucas liep bij ons reeds kleuterschool, waardoor ik zijn mogelijkheden en beperkingen deels kende. Ik wist dat Lucas door de hele klasgroep aanvaard was en dat hij er zich supergelukkig voelde. Dit was voor mij dan ook de eerste motivatie om hem zeker bij ons op school te houden.

Er kwamen natuurlijk ook heel wat vragen bij mij op:
– Wie is Lucas thuis?
– Wie zijn zijn ouders?
– Wat bedoelen ze met inclusief onderwijs? Wat verlangen ze?
– Wat houdt de begeleiding door een persoonlijke assistente in?

Mijn eerste stap was dan ook de ouders van Lucas en Lucas zelf beter te leren kennen. Bij de eerste kennismaking klikte het onmiddellijk, we voelden, we zaten op dezelfde golflengte. Lucas zelf was heel spontaan, hij was het levendige kind, met heel veel inzet, heel veel levensvreugde en dit gaf met de tekens om de stap te wagen.

Ik bezocht ook de website “Ouders voor inclusie”, ik las verschillende artikels over de mogelijkheden en beperkingen van Lucas en ik maakte kennis met de persoonlijke assistente en de GON-begeleider van Lucas.
Al vrij snel vormden we een (h)echt team. Lucas zijn ouders zochten naar middelen om hun zoon zo goed mogelijk te helpen. Vanuit mijn ervaring als leerkracht maakte ik aanmerkingen van: “we moeten een oplossing zoeken voor dit of dat probleem” enz. Zo kwamen we bv. tot het besluit dat Lucas heel wat meer kon bereiken met de computer en met aangepaste programma’s.

Een uitdaging

Werken met Lucas en zijn assistente was voor mij een uitdaging. Ondanks mijn 20 jaar ervaring in het eerste leerjaar ging ik toch nog nieuwe leermiddelen ontdekken. Ik kreeg eigenlijk vooral een andere kijk op de leerstof en de verschillende leerstappen die een kind in het eerste leerjaar moet verwerven.
Rekenen bijvoorbeeld ging veel meer inhouden dan sommen maken en bewerkingen. Voor Lucas werden de bewerkingen opgesplitst op zijn niveau, werden kleurtjes gebruikt binnen zijn computerprogramma, werd hij binnen het computerprogramma gestimuleerd om verder te gaan, want een volledig blad schrikte hem af.
Voor getallenkennis werd gebruik gemaakt van spraaktechnologie, omdat lezen van hem veel inspanning vraagt en lezen hier niet belangrijk is, maar wel de kennis en het inzicht van de getallen.
Lucas kan technisch lezen, hij kent alle letters en klanken, tikken op de computer vindt hij best leuk en hij kan aardig overweg met het klavier.
Het tempo is echter beperkt doordat Lucas aan CVI lijdt. Lucas is auditief enorm getraind, hij luistert naar een verhaal of tekst die voorgelezen wordt en kan perfect de inhoudsvragen beantwoorden. Dus vonden wij dat de spraaktechnologie hier weer de oplossing kon bieden voor begrijpend lezen. Door het gebruik van een headset wordt hij ook een stukje van het klasgebeuren afgesloten, waardoor hij minder afgeleid is.
De kinderen uit de klasgroep maakten hierover helemaal geen probleem.

Wat Lucas mij leerde

Alles lijkt voor ons zo vanzelfsprekend, zo evident, maar Lucas leerde me vooral dat:

Wanneer iemand tekortkomingen heeft die je ziet, dat je daar rekening mee houdt

Wanneer iemand een leerprobleem, zoals dyslexie, dyscalculie, dyspraxie,…en andere leerstoornissen heeft, deze kinderen moeten blijven oefenen, elke dag opnieuw op datgene wat ze juist niet goed kunnen. Terwijl spraaktechnologie bv. voor heel veel kinderen met leerproblemen een oplossing zou bieden, denk maar aan begrijpend lezen, aan wereldoriëntatie, …

Je moet blijven geloven in iemand zijn mogelijkheden. Durven bevragen en niet te snel opgeven. Met een aangepaste methode en wat meer geduld raken kinderen op schools vlak veel verder dan wat men soms voorspelt.

Ons onderwijs draait nog teveel om het kunnen, om het presteren, terwijl in ieder kind iets schuilt wat het goed kan en graag doet. Wanneer we proberen om dat in elk kind te ontdekken, dan kan elk kind gelukkig zijn in onze klas, kan het openbloeien en zijn wie het is.
Wanneer je dan elke dag die stralende oogjes, die lieve lach en dat gelukkig kind ziet, dan weet je dat zo’n kleine inspanning niet veel moeite kost.


Henri – Hoe hij leerde lezen en schrijven met autisme en dyspraxie

Henri

Hoe hij leerde lezen en schrijven met autisme en dyspraxie

door Katia Devreker (mama van Henri)

“Alle deuren staan voor hem open”

Henri Devreker (10) heeft een autisme spectrumstoornis en verbale dyspraxie. Op vierjarige leeftijd sprak hij slechts twintig woorden. Na een periode van buitengewoon basisonderwijs en thuisonderwijs zit Henri nu in het tweede leerjaar van het gewone basisonderwijs. Op basisschool De Leerboom in Halle leert Henri op zijn eigen manier lezen met Veilig in stapjes en Veilig leren lezen. Henri’s taal-, lees- en schrijfontwikkeling gaat met sprongen vooruit. Met name omdat er voortdurend aandacht is voor woorden in een betekenisvolle context. Inmiddels kan Henri zelfs korte gesprekjes voeren. Zijn moeder Katia ziet veel kansen voor Henri en waarom ze onbenut laten?

Henri was drie jaar toen bij hem autisme werd vastgesteld. “En dan wordt het stil”, zegt Katia Devreker-Coenen. “Hoe ziet zijn toekomst eruit? Wat kan hij wel? Wat kan hij niet? Kan hij naar school? Allemaal vragen waar niemand mij en mijn man Benoit meteen een antwoord op kon geven. En zoals de meeste ouders van een kind met een beperking, startten ook wij met bijzonder onderwijs voor Henri.”

Henri kwam terecht in een zogenoemd autiklasje voor kinderen met een autistische stoornis. “Maar het onderwijs dat hij in het autiklasje kreeg aangeboden, werkte niet voor Henri. Je mag juist voor hem ook de lat hoog leggen. Ik was misschien wat kritisch, maar ik zag dat Henri meer kon dan er nu uit kwam. Je moet het hem alleen wel aanbieden. Zo heb ik hem bijvoorbeeld ook zelf leren knippen. Ja, en dan moet je hem wel een schaar in zijn handen duwen en het met hem voordoen.”

Thuisonderwijs

Katia ging vervolgens zelf werken aan de ontwikkeling van Henri. “We zijn begonnen met PECS (Picture Exchange Communication System). We maakten kaartjes met picto’s en afbeeldingen die de woordenschat van Henri verbeeldden. Op die manier leerde Henri meer en beter te communiceren. Met behulp van bijvoorbeeld het picto ‘glas’ kon hij met een zinstrip aangeven: ‘ik wil drinken’. We gebruikten de picto’s ook om hem bijvoorbeeld de namen van kleuren aan te leren.
De map met PECS-kaartjes konden we steeds verder uitbreiden en daarmee dus ook Henri’s woordenschat. Maar zo ontstond langzaam wel een niveauverschil tussen wat hij op school leerde en waar wij thuis met Henri mee bezig waren. Dat was voor Benoit en mij het moment om hem onder begeleiding thuis onderwijs aan te bieden.”

Speelleerklas

Katia vond evenwel al snel dat een-op-een onderwijs ook niet ideaal was. “Henri miste toch te veel het contact met andere kinderen. Henri’s logopediste Annemie Van Roy attendeerde ons toen op inclusief onderwijs, waarbij kinderen regulier onderwijs volgen met zoveel mogelijk ondersteuning. Henri kwam eerst in een speelleerklas, dat was in de zomer van 2008.”

De speelleerklas is een leerjaar dat in Vlaanderen wordt ingericht voor kinderen die na de kleuterschool nog niet ‘schoolrijp’ zijn om over te stappen naar het eerste leerjaar van de lagere school. Katia: “In die speelleerklas leerde hij basisschoolse vaardigheden en ook om zijn naam in vloeiend schrift te schrijven.”

Leren lezen

In het twee speelleerjaar gingen de leerlingen aan de slag met technisch lezen.

Katia: “Ze begonnen met het leren van klinkers en het koppelen van een klank aan een letter. De vraag was: hoe doen we dat met Henri? Nou, zei ik, hij doet dus gewoon mee!”

Thuis werd Henri op dat moment begeleid door Sara De Meyst, die inmiddels zelf leerkracht is op basisschool De Leerboom. Sara: “Ik studeerde toen voor master in de educatieve studies en had al het diploma professionele bachelor in de orthopedagogie. Een vriendin attendeerde mij erop dat Katia een begeleidster zocht voor haar zoon Henri. En zo ging ik twee, drie keer per week thuis met Henri aan het werk. Henri leerde in de speelleerklas lezen op basis van klanken. Maar Henri pikte dit niet op, het zei hem niks. Hij zei wel de afzonderlijke letters ‘ee’ en ‘t’, maar niet het woord ‘eet’.”

Katia zocht een leesmethode die wel geschikt was bevoor Henri en kwam uit bij Veilig in stapjes. Met het programma Mind Express maakte Katia thuis kaartjes met materiaal uit Veilig in stapjes.” Sara: “Dat waren geplastificeerde kaartjes met afbeeldingen uit de werkboekjes en leesboekjes van Veilig in stapjes. Daar kon Henri zelf de juiste woorden bij plaatsen, zoals ‘‘roos’ bij het plaatje van een roos.”

De leerboom

Met dit zelfgemaakte materiaal en het leesniveau dat Henri inmiddels had behaald, zetten Katia en Benoit de stap naar inclusief onderwijs voor Henri. Katia: “Voor ons is dit een heel bewuste keuze. Het is een zienswijze op het toekomstperspectief van onze zoon. Wij vinden het essentieel op niet te focussen op de beperking van een kind, maar op de persoon achter de beperking.”

Katia en Benoit togen met een deskundige delegatie naar basisschool De Leerboom in Halle, waaronder dr. Kathleen Mortier verbonden aan de Vakgroep Orthopedagogiek van de Universiteit Gent, Sara De Meyst en orthopedagoge Kristien Bruylandt, de persoonlijk assistent van Henri. Dankzij een persoonlijk assistentiebudget (PAB) kunnen de ouders van Henri er namelijk voor zorgen dat Kristien Henri in de klas ondersteunt. Katia: “Op het verzoek tot inclusie reageerde directeur Kjell Bosmans van De Leerboom als volgt: we gaan dit doen!”

Woorden in betekenisvolle context

De stap naar volledig inclusief onderwijs was een grote uitdaging voor alle betrokkenen: Katia en Benoit, de school, Kristien, maar natuurlijk vooral voor Henri zelf. Katia: “Hij moest wennen aan Kristien en twintig nieuwe klasgenoten. En hij ging nu ineens voltijds naar school. Bij aanvang van het schooljaar lagen we drie kernen voor. Maar het tempo lag hoog voor Henri, dus die voorsprong was snel ingehaald. Inmiddels bereiden we elke lesweek thuis zorgvuldig voor. Ik weet welke kernwoorden in een bepaalde week aan bod komen en die pikken we er dan uit. Woorden als ‘sok’, ‘roos’, ‘vis’ en ‘maan’ zijn voor Henri ideale woorden om te leren lezen.”

Sara: “Het gaat daarbij om functionele, concrete dingen. Het is voor Henri belangrijk om woorden te lezen die een betekenis hebben en die ook in een context aan te bieden. Veilig in stapjes en Veilig leren lezen verbinden heel sterk woorden aan een afbeelding, en dat werkt!”

Katia vult aan: “Ja, beide methoden ondersteunen met duidelijke illustraties de betekenis van de woorden. Dit was voor Henri belangrijk voor de uitbreiding van zijn woordenschat, het uitspreken van de woorden en het lezen van een woordbeeld. Henri kon een klank koppelen aan een letter. We gingen ook op letterniveau kaartjes leggen en later op woordniveau. En zo slaagden we erin om Henri niet alleen maar woorden te laten herkennen, maar we lieten hem met behulp van de perfect gekozen illustraties de koppeling maken tussen letterkennis en woorden. Henri ging ook meteen schrijven. Die overgang ging heel snel. Hij leest soms makkelijker zijn eigen schrijfletter dan de leesletter.

Veel verhalen

Op het gebied van woordenschat en leestempo zit Henri dus goed op niveau. Katia: “Hij ziet “spin” en zegt vervolgens “pin”. De “sp” is voor hem moeilijk om uit te spreken. Dat is zijn probleem en dat weet hij ook. Daarom aarzelt hij om het woord te zeggen, maar door veel te oefenen lukt het hem wel.

En daar gaat het om: automatiseren en herhalen, veel herhalen. We bieden lesstof aan op maat gemaakt voor Henri. Elke keer gaan we weer een stapje verder, je legt de lat telkens iets hoger. Wel in Henri’s tempo en op zijn manier. Hij krijgt de kans om in stapjes te leren en om soms ook weer even een stapje terug te doen. Ik zie het als een verschil van dag en nacht. Waar hij eerst amper twintig woorden sprak, kan ik nu zelfs kleine gesprekjes met hem voeren.

Grote samenhorigheid

Henri kan inmiddels volop meedoen in de klas. Katia: “We geven hem elke maandag wat foto’s mee van het afgelopen weekend. Zo kan hij in het kringgesprek laten zien wat hij heeft gedaan in het weekend. In het begin zag je heel mooi hoe met name de meisjes in de klas hem bemoederden. Nu zijn ook de jongens de dikste vrienden met hem. We hebben dit jaar gekozen voor een buddysysteem in de klas. Ieder kind is bij toerbeurt het maatje van Henri. De kinderen accepteren hem volledig zoals hij is. Henri kan zich goed handhaven in de klas en hij doet in alle vakken goed mee. Zo heeft hij dit schooljaar enorm veel geleerd in de lessen wereldoriëntatie.”

Sara: “De andere leerlingen in de klas zijn dol op Henri. Ze ontfermen zich over hem en helpen hem. Ik zie dat de saamhorigheid in de groep heel groot is. Ook andere leerkrachten valt dat op. Deze groep vindt het belangrijker om sámen over de sloot te geraken dan om te kijken wie er het eerste is.” Ook Kristien heeft haar rol in de klas gevonden.
Katia: “De volgende uitspraak van de leerlingen getuigt daar wel van: ‘Kristien is niet alleen met Henri, ze is ook met ons!’ Op vrijdagochtend heeft Henri logopedie en dan helpt Kristien in haar functie van GOK-leerkracht andere kinderen op school. Dat hebben we in samenspraak met De Leerboom gedaan en dat pakt dus heel positief uit.”

Schoolfeest

Kiezen voor inclusie is volgens Katia niet kiezen voor de makkelijkste weg. “Als je me vier jaar geleden had gezegd dat Henri op een gewone basisschool zou zitten, dan had ik het niet geloofd. In de eerste jaren is er zo vaak tegen ons gezegd wat Henri misschien allemaal niet zou kunnen doen: hij zou misschien niet kunnen fietsen, hij gaat dit niet doen of dat… altijd negatief. En welke les heb ik nu geleerd van mijn kind? Alle deuren staan voor hem open en Henri maakt ze in zijn tempo open. Dat een kind die kans krijgt op De Leerboom is fantastisch. Henri heeft hier voor het eerst carnaval gevierd, hij is naar de kermis geweest met de klas en hij deed mee aan het schoolfeest.

Samen met de andere leerlingen zou hij een dansje uitvoeren. Ik dacht: laat het hem maar doen, we zien wel. Ze gingen voorbereiden en oefenen. Kristien zei elke keer dat het heel goed ging. Henri’s opa en oma zouden ook naar de uitvoering komen en ik zei nog tegen hen dat de kans klein was dat hij zou meedoen. Op de dag van het schoolfeest kwamen we aan op het schoolplein. Het was druk, er was muziek, een springkussen, kortom: Henri kreeg veel prikkels. Maar hij danste mee en het ging goed! Ik was helemaal ontroerd. En deze zomervakantie gaat hij samen met Kristien voor het eerst een weekje naar een zomerkamp op een boerderij. Inclusie in de vrije tijd dus eigenlijk.”

Hoe ging het verder?

Henri heeft heel de lagere school van het eerste tot en met het zesde leerjaar een individueel curriculum gevolgd. Op het einde van het zesde leerjaar kreeg hij ipv een getuigschrift een attest verworven bekwaamheden.

Op 1 september 2015 startte hij in 1B op Coovi in Anderlecht. Ook hier heeft hij een individueel curriculum maar we merken wel dat hij voor de praktijkvakken heel gemakkelijk en zelfstandig kan aansluiten waardoor de focus op zijn sterke punten ligt. Ook tijdens zijn hoofdvak PAV kan hij gemakkelijk meedoen met de doe-opdrachten en groepswerkjes.