Henri – Hoe hij leerde lezen en schrijven met autisme en dyspraxie

Henri

Hoe hij leerde lezen en schrijven met autisme en dyspraxie

door Katia Devreker (mama van Henri)

“Alle deuren staan voor hem open”

Henri Devreker (10) heeft een autisme spectrumstoornis en verbale dyspraxie. Op vierjarige leeftijd sprak hij slechts twintig woorden. Na een periode van buitengewoon basisonderwijs en thuisonderwijs zit Henri nu in het tweede leerjaar van het gewone basisonderwijs. Op basisschool De Leerboom in Halle leert Henri op zijn eigen manier lezen met Veilig in stapjes en Veilig leren lezen. Henri’s taal-, lees- en schrijfontwikkeling gaat met sprongen vooruit. Met name omdat er voortdurend aandacht is voor woorden in een betekenisvolle context. Inmiddels kan Henri zelfs korte gesprekjes voeren. Zijn moeder Katia ziet veel kansen voor Henri en waarom ze onbenut laten?

Henri was drie jaar toen bij hem autisme werd vastgesteld. “En dan wordt het stil”, zegt Katia Devreker-Coenen. “Hoe ziet zijn toekomst eruit? Wat kan hij wel? Wat kan hij niet? Kan hij naar school? Allemaal vragen waar niemand mij en mijn man Benoit meteen een antwoord op kon geven. En zoals de meeste ouders van een kind met een beperking, startten ook wij met bijzonder onderwijs voor Henri.”

Henri kwam terecht in een zogenoemd autiklasje voor kinderen met een autistische stoornis. “Maar het onderwijs dat hij in het autiklasje kreeg aangeboden, werkte niet voor Henri. Je mag juist voor hem ook de lat hoog leggen. Ik was misschien wat kritisch, maar ik zag dat Henri meer kon dan er nu uit kwam. Je moet het hem alleen wel aanbieden. Zo heb ik hem bijvoorbeeld ook zelf leren knippen. Ja, en dan moet je hem wel een schaar in zijn handen duwen en het met hem voordoen.”

Thuisonderwijs

Katia ging vervolgens zelf werken aan de ontwikkeling van Henri. “We zijn begonnen met PECS (Picture Exchange Communication System). We maakten kaartjes met picto’s en afbeeldingen die de woordenschat van Henri verbeeldden. Op die manier leerde Henri meer en beter te communiceren. Met behulp van bijvoorbeeld het picto ‘glas’ kon hij met een zinstrip aangeven: ‘ik wil drinken’. We gebruikten de picto’s ook om hem bijvoorbeeld de namen van kleuren aan te leren.
De map met PECS-kaartjes konden we steeds verder uitbreiden en daarmee dus ook Henri’s woordenschat. Maar zo ontstond langzaam wel een niveauverschil tussen wat hij op school leerde en waar wij thuis met Henri mee bezig waren. Dat was voor Benoit en mij het moment om hem onder begeleiding thuis onderwijs aan te bieden.”

Speelleerklas

Katia vond evenwel al snel dat een-op-een onderwijs ook niet ideaal was. “Henri miste toch te veel het contact met andere kinderen. Henri’s logopediste Annemie Van Roy attendeerde ons toen op inclusief onderwijs, waarbij kinderen regulier onderwijs volgen met zoveel mogelijk ondersteuning. Henri kwam eerst in een speelleerklas, dat was in de zomer van 2008.”

De speelleerklas is een leerjaar dat in Vlaanderen wordt ingericht voor kinderen die na de kleuterschool nog niet ‘schoolrijp’ zijn om over te stappen naar het eerste leerjaar van de lagere school. Katia: “In die speelleerklas leerde hij basisschoolse vaardigheden en ook om zijn naam in vloeiend schrift te schrijven.”

Leren lezen

In het twee speelleerjaar gingen de leerlingen aan de slag met technisch lezen.

Katia: “Ze begonnen met het leren van klinkers en het koppelen van een klank aan een letter. De vraag was: hoe doen we dat met Henri? Nou, zei ik, hij doet dus gewoon mee!”

Thuis werd Henri op dat moment begeleid door Sara De Meyst, die inmiddels zelf leerkracht is op basisschool De Leerboom. Sara: “Ik studeerde toen voor master in de educatieve studies en had al het diploma professionele bachelor in de orthopedagogie. Een vriendin attendeerde mij erop dat Katia een begeleidster zocht voor haar zoon Henri. En zo ging ik twee, drie keer per week thuis met Henri aan het werk. Henri leerde in de speelleerklas lezen op basis van klanken. Maar Henri pikte dit niet op, het zei hem niks. Hij zei wel de afzonderlijke letters ‘ee’ en ‘t’, maar niet het woord ‘eet’.”

Katia zocht een leesmethode die wel geschikt was bevoor Henri en kwam uit bij Veilig in stapjes. Met het programma Mind Express maakte Katia thuis kaartjes met materiaal uit Veilig in stapjes.” Sara: “Dat waren geplastificeerde kaartjes met afbeeldingen uit de werkboekjes en leesboekjes van Veilig in stapjes. Daar kon Henri zelf de juiste woorden bij plaatsen, zoals ‘‘roos’ bij het plaatje van een roos.”

De leerboom

Met dit zelfgemaakte materiaal en het leesniveau dat Henri inmiddels had behaald, zetten Katia en Benoit de stap naar inclusief onderwijs voor Henri. Katia: “Voor ons is dit een heel bewuste keuze. Het is een zienswijze op het toekomstperspectief van onze zoon. Wij vinden het essentieel op niet te focussen op de beperking van een kind, maar op de persoon achter de beperking.”

Katia en Benoit togen met een deskundige delegatie naar basisschool De Leerboom in Halle, waaronder dr. Kathleen Mortier verbonden aan de Vakgroep Orthopedagogiek van de Universiteit Gent, Sara De Meyst en orthopedagoge Kristien Bruylandt, de persoonlijk assistent van Henri. Dankzij een persoonlijk assistentiebudget (PAB) kunnen de ouders van Henri er namelijk voor zorgen dat Kristien Henri in de klas ondersteunt. Katia: “Op het verzoek tot inclusie reageerde directeur Kjell Bosmans van De Leerboom als volgt: we gaan dit doen!”

Woorden in betekenisvolle context

De stap naar volledig inclusief onderwijs was een grote uitdaging voor alle betrokkenen: Katia en Benoit, de school, Kristien, maar natuurlijk vooral voor Henri zelf. Katia: “Hij moest wennen aan Kristien en twintig nieuwe klasgenoten. En hij ging nu ineens voltijds naar school. Bij aanvang van het schooljaar lagen we drie kernen voor. Maar het tempo lag hoog voor Henri, dus die voorsprong was snel ingehaald. Inmiddels bereiden we elke lesweek thuis zorgvuldig voor. Ik weet welke kernwoorden in een bepaalde week aan bod komen en die pikken we er dan uit. Woorden als ‘sok’, ‘roos’, ‘vis’ en ‘maan’ zijn voor Henri ideale woorden om te leren lezen.”

Sara: “Het gaat daarbij om functionele, concrete dingen. Het is voor Henri belangrijk om woorden te lezen die een betekenis hebben en die ook in een context aan te bieden. Veilig in stapjes en Veilig leren lezen verbinden heel sterk woorden aan een afbeelding, en dat werkt!”

Katia vult aan: “Ja, beide methoden ondersteunen met duidelijke illustraties de betekenis van de woorden. Dit was voor Henri belangrijk voor de uitbreiding van zijn woordenschat, het uitspreken van de woorden en het lezen van een woordbeeld. Henri kon een klank koppelen aan een letter. We gingen ook op letterniveau kaartjes leggen en later op woordniveau. En zo slaagden we erin om Henri niet alleen maar woorden te laten herkennen, maar we lieten hem met behulp van de perfect gekozen illustraties de koppeling maken tussen letterkennis en woorden. Henri ging ook meteen schrijven. Die overgang ging heel snel. Hij leest soms makkelijker zijn eigen schrijfletter dan de leesletter.

Veel verhalen

Op het gebied van woordenschat en leestempo zit Henri dus goed op niveau. Katia: “Hij ziet “spin” en zegt vervolgens “pin”. De “sp” is voor hem moeilijk om uit te spreken. Dat is zijn probleem en dat weet hij ook. Daarom aarzelt hij om het woord te zeggen, maar door veel te oefenen lukt het hem wel.

En daar gaat het om: automatiseren en herhalen, veel herhalen. We bieden lesstof aan op maat gemaakt voor Henri. Elke keer gaan we weer een stapje verder, je legt de lat telkens iets hoger. Wel in Henri’s tempo en op zijn manier. Hij krijgt de kans om in stapjes te leren en om soms ook weer even een stapje terug te doen. Ik zie het als een verschil van dag en nacht. Waar hij eerst amper twintig woorden sprak, kan ik nu zelfs kleine gesprekjes met hem voeren.

Grote samenhorigheid

Henri kan inmiddels volop meedoen in de klas. Katia: “We geven hem elke maandag wat foto’s mee van het afgelopen weekend. Zo kan hij in het kringgesprek laten zien wat hij heeft gedaan in het weekend. In het begin zag je heel mooi hoe met name de meisjes in de klas hem bemoederden. Nu zijn ook de jongens de dikste vrienden met hem. We hebben dit jaar gekozen voor een buddysysteem in de klas. Ieder kind is bij toerbeurt het maatje van Henri. De kinderen accepteren hem volledig zoals hij is. Henri kan zich goed handhaven in de klas en hij doet in alle vakken goed mee. Zo heeft hij dit schooljaar enorm veel geleerd in de lessen wereldoriëntatie.”

Sara: “De andere leerlingen in de klas zijn dol op Henri. Ze ontfermen zich over hem en helpen hem. Ik zie dat de saamhorigheid in de groep heel groot is. Ook andere leerkrachten valt dat op. Deze groep vindt het belangrijker om sámen over de sloot te geraken dan om te kijken wie er het eerste is.” Ook Kristien heeft haar rol in de klas gevonden.
Katia: “De volgende uitspraak van de leerlingen getuigt daar wel van: ‘Kristien is niet alleen met Henri, ze is ook met ons!’ Op vrijdagochtend heeft Henri logopedie en dan helpt Kristien in haar functie van GOK-leerkracht andere kinderen op school. Dat hebben we in samenspraak met De Leerboom gedaan en dat pakt dus heel positief uit.”

Schoolfeest

Kiezen voor inclusie is volgens Katia niet kiezen voor de makkelijkste weg. “Als je me vier jaar geleden had gezegd dat Henri op een gewone basisschool zou zitten, dan had ik het niet geloofd. In de eerste jaren is er zo vaak tegen ons gezegd wat Henri misschien allemaal niet zou kunnen doen: hij zou misschien niet kunnen fietsen, hij gaat dit niet doen of dat… altijd negatief. En welke les heb ik nu geleerd van mijn kind? Alle deuren staan voor hem open en Henri maakt ze in zijn tempo open. Dat een kind die kans krijgt op De Leerboom is fantastisch. Henri heeft hier voor het eerst carnaval gevierd, hij is naar de kermis geweest met de klas en hij deed mee aan het schoolfeest.

Samen met de andere leerlingen zou hij een dansje uitvoeren. Ik dacht: laat het hem maar doen, we zien wel. Ze gingen voorbereiden en oefenen. Kristien zei elke keer dat het heel goed ging. Henri’s opa en oma zouden ook naar de uitvoering komen en ik zei nog tegen hen dat de kans klein was dat hij zou meedoen. Op de dag van het schoolfeest kwamen we aan op het schoolplein. Het was druk, er was muziek, een springkussen, kortom: Henri kreeg veel prikkels. Maar hij danste mee en het ging goed! Ik was helemaal ontroerd. En deze zomervakantie gaat hij samen met Kristien voor het eerst een weekje naar een zomerkamp op een boerderij. Inclusie in de vrije tijd dus eigenlijk.”

Hoe ging het verder?

Henri heeft heel de lagere school van het eerste tot en met het zesde leerjaar een individueel curriculum gevolgd. Op het einde van het zesde leerjaar kreeg hij ipv een getuigschrift een attest verworven bekwaamheden.

Op 1 september 2015 startte hij in 1B op Coovi in Anderlecht. Ook hier heeft hij een individueel curriculum maar we merken wel dat hij voor de praktijkvakken heel gemakkelijk en zelfstandig kan aansluiten waardoor de focus op zijn sterke punten ligt. Ook tijdens zijn hoofdvak PAV kan hij gemakkelijk meedoen met de doe-opdrachten en groepswerkjes.


WIJZIGINGSDECREET M

Wijzigingsdecreet M

Wijzigingsdecreet M

Nieuwe maatregelen vanaf 1 september 2018 tot verder uitvoering van het M-decreet en het ondersteuningsmodel

Op 5 juli 2017 nam het Vlaams Parlement een resolutie aan betreffende de implementatie en de start van de ondersteuningsnetwerken ter optimalisering van het M-decreet. Het nieuw ondersteuningsmodel trad op 1 september 2017 in werking dat de begeleiding geïntegreerd onderwijs (GON) en inclusief onderwijs (ION) vervangt.

Dit nieuw ondersteuningsmodel hanteert de visie dat een leerling met specifieke onderwijsbehoeften niet meer standaard een vast aantal uren begeleiding krijgt per week gedurende een bepaalde periode, zoals in GON en ION. Het is de school die samen met de ouders, het CLB en school voor buitengewoon onderwijs de ondersteuning op maat, op basis van de noden bepaalt.

Uit het rapport ‘Stand van zaken over de opstart van het ondersteuningsmodel’ verschenen in december 2017, is af te leiden dat de implementatie niet overal soepel is verlopen en dat aanpassingen zich opdringen. Vanaf 1 september 2018 worden een aantal aanpassingen doorgevoerd.

We halen even de aanpassingen aan die belangrijk zijn voor ouders van kinderen met specifieke noden:

Aanpassingen aan het gemotiveerd verslag

  • Type basisaanbod: Opheffing van de voorwaarde van 9 maanden verblijf in buitengewoon onderwijs

De voorwaarde dat een leerling ten minste negen maanden voltijds buitengewoon onderwijs in het type basisaanbod moet gevolgd hebben, onmiddellijk voorafgaand aan de opmaak van het gemotiveerd verslag om in aanmerking te komen voor ondersteuning vanuit het ondersteuningsnetwerk, wordt opgeheven.

De ondersteuning zal moeten geboden worden binnen de budgettaire ruimte voor het ondersteuningsmodel. Er worden geen extra middelen toegevoegd.

  • Verlaten van de diagnose als noodzakelijke voorwaarde

De voorwaarde van een diagnose om toegang te krijgen tot ondersteuning, wordt verlaten, niet alleen voor type 3 (de uitzonderingsmaatregel die tijdens het schooljaar 2017-2018 van toepassing was voor leerlingen met gedrags- en emotionele problemen) maar voor alle types. CLB’s zullen op het gemotiveerd verslag wel een type blijven aanduiden. Dit staat dan niet meer voor het feit dat de leerling een diagnose heeft, maar wel dat de leerling behoefte heeft aan specifieke deskundigheid uit één of meer types zoals omschreven in het M-decreet. Die specifieke deskundigheid die nodig is, zal in het gemotiveerd verslag omschreven moeten worden. Een wijziging van type slaat dan niet meer op een wijziging van diagnose, maar een wijziging van deskundigheid die nodig is.

Indien deskundigheid vanuit meerdere types nodig is wordt dit omschreven in het gemotiveerd verslag en wordt op het gemotiveerd verslag het meest doorslaggevende type aangeduid.

Opgelet:

    • De maatregel is alleen van toepassing in geval van een gemotiveerd verslag. Bij de opmaak van een verslag blijft een diagnose wel een voorwaarde. In geval van type 3, 4, 6, 7 en 9 wordt die afgeleverd door een externe multidisciplinaire dienst. Voor type 2 kan het CLB zelf de diagnose van verstandelijke beperking stellen.
    • Het feit dat voor gemotiveerd verslag de voorwaarde van een diagnose verlaten wordt om toegang te krijgen tot ondersteuning, doet geen afbreuk aan de waarde die diagnostiek van externe instanties kan hebben in het kader van het handelingsgericht diagnostisch traject en de beeldvorming over de leerling. Diagnostiek blijft van belang om de onderwijsbehoeften uit te klaren. Daarom kan het zijn dat het CLB in een aantal gevallen nog niet zal overgaan tot de opmaak van een gemotiveerd verslag, omdat er nog meer informatie nodig is om de onderwijsbehoeften van leerlingen goed te kunnen omschrijven en mee te bepalen welke deskundigheid aanvullend bij de ondersteuning door de school nodig is. Het kwaliteitsvol doorlopen van een handelingsgericht diagnostisch traject blijft in alle gevallen een noodzakelijke voorwaarde.

Type basisaanbod 2 jaar

In de huidige regelgeving is voorzien dat een inschrijving in het buitengewoon onderwijs type basisaanbod slechts twee schooljaren geldig is, waarna een evaluatie moet gebeuren.

Dit wordt geherformuleerd: een inschrijving in het type basisaanbod wordt in het buitengewoon basisonderwijs op het einde van het tweede schooljaar, ongeacht op welk moment de leerling in het eerste schooljaar is ingestapt, en in buitengewoon secundair onderwijs op het einde van de opleidingsfase, geëvalueerd door de klassenraad en het CLB. Er wordt uitdrukkelijk ingeschreven dat het CLB de ouders en de leerling op een actieve wijze moeten informeren over de mogelijkheden die zich dan aandienen:

1. Terugkeer naar gewoon onderwijs: gemeenschappelijk of individueel aangepast curriculum

De klassenraad en het CLB kunnen in overleg met de ouders en met betrokkenheid van de leerling, beslissen dat de aanpassingen, waaronder remediërende, differentiërende, compenserende of dispenserende maatregelen, proportioneel zijn om de leerling het gemeenschappelijk curriculum of een individueel aangepast curriculum te laten volgen in een school voor gewoon onderwijs. In dat geval zal:

a. het CLB, naargelang de situatie het verslag opheffen, een gemotiveerd verslag opmaken of het bestaande verslag aanpassen via een addendum;

b. de school voor buitengewoon onderwijs en het CLB de ouders ondersteunen bij het vinden van een school voor gewoon onderwijs waar de leerling definitief wordt ingeschreven (in geval van gemotiveerd verslag) of onder ontbindende voorwaarde wordt ingeschreven (in geval van verslag);

c. maken de scholen voor gewoon en buitengewoon onderwijs, de centra voor leerlingenbegeleiding en de ouders, met betrokkenheid van de leerling, afspraken over ondersteuning.

2. Verder traject in buitengewoon onderwijs

Als de klassenraad en het CLB in overleg met de ouders en met betrokkenheid van de leerling, beslissen dat de aanpassingen, waaronder remediërende, differentiërende, compenserende of dispenserende maatregelen, disproportioneel of onvoldoende zijn om de leerling het gemeenschappelijk curriculum of een individueel aangepast curriculum te laten volgen in een school voor gewoon onderwijs, motiveert het CLB dat in het verslag. Dat kan met een addendum. De inschrijving in de school voor buitengewoon onderwijs kan dan verlengd worden. In het buitengewoon basisonderwijs volgt uiterlijk na twee schooljaren opnieuw een evaluatie.

Ouders blijven, in geval van een verlenging van het verslag, ten allen tijde de keuze hebben tussen een verder traject in buitengewoon onderwijs of een overstap naar gewoon onderwijs.

Schrappen van de strikte IQ-grens binnen type 2

De decretale IQ-grens “kleiner of gelijk aan 60” wordt geschrapt en vervangen door “twee of meer standaarddeviaties beneden het gemiddelde ten opzichte van een normgroep van leeftijdsgenoten”. De voorwaarde wordt behouden dat leerlingen significante beperkingen dienen te hebben in het intellectueel functioneren.

Open end financiering type 2, 4, 6 en 7 (auditief) => kleine types

Door een stijging van het aantal aanvragen binnen type 2, 4, 6 en 7 (auditief) heeft men beslist om vanaf schooljaar 2019 – 2020 om voor deze types over te stappen naar een open end financiering. Dit wil zeggen dat de middelen afhankelijk zijn van het aantal leerlingen van het moment en niet meer afhankelijk van leerlingenaantallen op 1 februari.

De Vlaamse Regering werkt overgangsmaatregelen uit voor schooljaar 2018 – 2019. Deze zijn nog niet goedgekeurd door de Vlaamse Regering maar wel benoemd tijdens de plenaire vergadering van het Vlaams parlement op woensdagnamiddag 27 juni 2018:

Volgende principes voor bijkomende budgetten waar elke school mag op rekenen vanaf 1 september 2018:

Wat als uw kind van ondersteuningsschool veranderd?

Door een verloop van leerlingen van de ene school naar een andere school, is het mogelijk dat een school voor buitengewoon onderwijs een te kort aan begeleidingseenheden heeft in rato met het aantal te begeleiden leerlingen en dat een ander school voor buitengewoon onderwijs een overschot aan begeleidingseenheden heeft in rato met het aantal te begeleiden leerlingen. De scholen mogen en kunnen de begeleidingseenheden aan elkaar overdragen zodanig dat de leerlingen de ondersteuning kunnen ontvangen waar ze recht op  hebben.

Veranderen tussen gewoon en buitengewoon onderwijs

Er worden twee situaties voorzien waarin schoolbesturen leerlingen in overcapaciteit moeten inschrijven:

  1. voor de terugkeer van een leerling naar een school voor buitengewoon onderwijs, waar die leerling in het lopende of de twee voorafgaande schooljaren ingeschreven was, wanneer die leerling op eigen initiatief of op advies de overstap maakte naar een school voor gewoon onderwijs maar terug wil inschrijven in de school voor buitengewoon onderwijs;
  2. voor de terugkeer van een leerling naar een school voor gewoon onderwijs, waar die leerling in het lopende of de twee voorafgaande schooljaren ingeschreven was, wanneer die leerling de overstap maakte naar een school voor buitengewoon onderwijs, maar terug wil inschrijven in de school voor gewoon onderwijs.

Coördinatie ondersteuningsnetwerken

Aan elk ondersteuningsnetwerk worden middelen toegekend voor coördinatie. Deze middelen komen van uit het budget van de pedagogische begeleidingsdiensten.

Bemiddeling en klachtenbehandeling

Momenteel zijn de kanalen waar ouders terecht kunnen voor bemiddeling of met een klacht, te weinig gekend. In de komende periode zal de overheid inspanningen leveren om deze kanalen kenbaarder te maken.

We geven ze alvast even mee:

Bemiddeling:

  • CLB
  • Indien CLB geen optie: netoverschrijdend samenwerkingsverband CLB (nieuw decreet leerlingenbegeleiding)

Beroep of klachten

  • Vlaamse bemiddelingscommissie: Behandelt klachten over het verslag
  • Commissie inzake leerlingenrechten: Behandelt klachten niet-gerealiseerde inschrijving in een school en de ontbonden inschrijving in een school
  • Unia: behandelt klachten over weigeren van redelijke aanpassingen

Vertegenwoordiging erkende ouderverenigingen en belangenorganisaties

Voor de voorbereiding, opvolging en aansturing van de invoering van het nieuwe ondersteuningsmodel werd een stuurgroep opgericht met een vertegenwoordiging van de onderwijskoepels, de onderwijsvakbonden, CLB en de overheid.

Het VN-Verdrag beklemtoont de betrokkenheid van personen met een handicap en organisaties die hen vertegenwoordigen bij materies die hen aanbelangen. Het M-decreet en het ondersteuningsmodel is zo’n materie. De overheid voorziet dat een vertegenwoordiging vanuit de erkende ouderverenigingen en vanuit belangenorganisaties van ouders van leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften kan worden uitgenodigd door de stuurgroep om de betrokkenheid bij beleidsvoorbereiding en -uitvoering te verhogen.


WIJZIGINGSDECREET M

Wijzigingsdecreet M

Wijzigingsdecreet M

Nieuwe maatregelen vanaf 1 september 2018 tot verder uitvoering van het M-decreet en het ondersteuningsmodel

Op 5 juli 2017 nam het Vlaams Parlement een resolutie aan betreffende de implementatie en de start van de ondersteuningsnetwerken ter optimalisering van het M-decreet. Het nieuw ondersteuningsmodel trad op 1 september 2017 in werking dat de begeleiding geïntegreerd onderwijs (GON) en inclusief onderwijs (ION) vervangt.

Dit nieuw ondersteuningsmodel hanteert de visie dat een leerling met specifieke onderwijsbehoeften niet meer standaard een vast aantal uren begeleiding krijgt per week gedurende een bepaalde periode, zoals in GON en ION. Het is de school die samen met de ouders, het CLB en school voor buitengewoon onderwijs de ondersteuning op maat, op basis van de noden bepaalt.

Uit het rapport ‘Stand van zaken over de opstart van het ondersteuningsmodel’ verschenen in december 2017, is af te leiden dat de implementatie niet overal soepel is verlopen en dat aanpassingen zich opdringen. Vanaf 1 september 2018 worden een aantal aanpassingen doorgevoerd.

We halen even de aanpassingen aan die belangrijk zijn voor ouders van kinderen met specifieke noden:

Aanpassingen aan het gemotiveerd verslag

  • Type basisaanbod: Opheffing van de voorwaarde van 9 maanden verblijf in buitengewoon onderwijs

De voorwaarde dat een leerling ten minste negen maanden voltijds buitengewoon onderwijs in het type basisaanbod moet gevolgd hebben, onmiddellijk voorafgaand aan de opmaak van het gemotiveerd verslag om in aanmerking te komen voor ondersteuning vanuit het ondersteuningsnetwerk, wordt opgeheven.

De ondersteuning zal moeten geboden worden binnen de budgettaire ruimte voor het ondersteuningsmodel. Er worden geen extra middelen toegevoegd.

  • Verlaten van de diagnose als noodzakelijke voorwaarde

De voorwaarde van een diagnose om toegang te krijgen tot ondersteuning, wordt verlaten, niet alleen voor type 3 (de uitzonderingsmaatregel die tijdens het schooljaar 2017-2018 van toepassing was voor leerlingen met gedrags- en emotionele problemen) maar voor alle types. CLB’s zullen op het gemotiveerd verslag wel een type blijven aanduiden. Dit staat dan niet meer voor het feit dat de leerling een diagnose heeft, maar wel dat de leerling behoefte heeft aan specifieke deskundigheid uit één of meer types zoals omschreven in het M-decreet. Die specifieke deskundigheid die nodig is, zal in het gemotiveerd verslag omschreven moeten worden. Een wijziging van type slaat dan niet meer op een wijziging van diagnose, maar een wijziging van deskundigheid die nodig is.

Indien deskundigheid vanuit meerdere types nodig is wordt dit omschreven in het gemotiveerd verslag en wordt op het gemotiveerd verslag het meest doorslaggevende type aangeduid.

Opgelet:

    • De maatregel is alleen van toepassing in geval van een gemotiveerd verslag. Bij de opmaak van een verslag blijft een diagnose wel een voorwaarde. In geval van type 3, 4, 6, 7 en 9 wordt die afgeleverd door een externe multidisciplinaire dienst. Voor type 2 kan het CLB zelf de diagnose van verstandelijke beperking stellen.
    • Het feit dat voor gemotiveerd verslag de voorwaarde van een diagnose verlaten wordt om toegang te krijgen tot ondersteuning, doet geen afbreuk aan de waarde die diagnostiek van externe instanties kan hebben in het kader van het handelingsgericht diagnostisch traject en de beeldvorming over de leerling. Diagnostiek blijft van belang om de onderwijsbehoeften uit te klaren. Daarom kan het zijn dat het CLB in een aantal gevallen nog niet zal overgaan tot de opmaak van een gemotiveerd verslag, omdat er nog meer informatie nodig is om de onderwijsbehoeften van leerlingen goed te kunnen omschrijven en mee te bepalen welke deskundigheid aanvullend bij de ondersteuning door de school nodig is. Het kwaliteitsvol doorlopen van een handelingsgericht diagnostisch traject blijft in alle gevallen een noodzakelijke voorwaarde.

Type basisaanbod 2 jaar

In de huidige regelgeving is voorzien dat een inschrijving in het buitengewoon onderwijs type basisaanbod slechts twee schooljaren geldig is, waarna een evaluatie moet gebeuren.

Dit wordt geherformuleerd: een inschrijving in het type basisaanbod wordt in het buitengewoon basisonderwijs op het einde van het tweede schooljaar, ongeacht op welk moment de leerling in het eerste schooljaar is ingestapt, en in buitengewoon secundair onderwijs op het einde van de opleidingsfase, geëvalueerd door de klassenraad en het CLB. Er wordt uitdrukkelijk ingeschreven dat het CLB de ouders en de leerling op een actieve wijze moeten informeren over de mogelijkheden die zich dan aandienen:

1. Terugkeer naar gewoon onderwijs: gemeenschappelijk of individueel aangepast curriculum

De klassenraad en het CLB kunnen in overleg met de ouders en met betrokkenheid van de leerling, beslissen dat de aanpassingen, waaronder remediërende, differentiërende, compenserende of dispenserende maatregelen, proportioneel zijn om de leerling het gemeenschappelijk curriculum of een individueel aangepast curriculum te laten volgen in een school voor gewoon onderwijs. In dat geval zal:

a. het CLB, naargelang de situatie het verslag opheffen, een gemotiveerd verslag opmaken of het bestaande verslag aanpassen via een addendum;

b. de school voor buitengewoon onderwijs en het CLB de ouders ondersteunen bij het vinden van een school voor gewoon onderwijs waar de leerling definitief wordt ingeschreven (in geval van gemotiveerd verslag) of onder ontbindende voorwaarde wordt ingeschreven (in geval van verslag);

c. maken de scholen voor gewoon en buitengewoon onderwijs, de centra voor leerlingenbegeleiding en de ouders, met betrokkenheid van de leerling, afspraken over ondersteuning.

2. Verder traject in buitengewoon onderwijs

Als de klassenraad en het CLB in overleg met de ouders en met betrokkenheid van de leerling, beslissen dat de aanpassingen, waaronder remediërende, differentiërende, compenserende of dispenserende maatregelen, disproportioneel of onvoldoende zijn om de leerling het gemeenschappelijk curriculum of een individueel aangepast curriculum te laten volgen in een school voor gewoon onderwijs, motiveert het CLB dat in het verslag. Dat kan met een addendum. De inschrijving in de school voor buitengewoon onderwijs kan dan verlengd worden. In het buitengewoon basisonderwijs volgt uiterlijk na twee schooljaren opnieuw een evaluatie.

Ouders blijven, in geval van een verlenging van het verslag, ten allen tijde de keuze hebben tussen een verder traject in buitengewoon onderwijs of een overstap naar gewoon onderwijs.

Schrappen van de strikte IQ-grens binnen type 2

De decretale IQ-grens “kleiner of gelijk aan 60” wordt geschrapt en vervangen door “twee of meer standaarddeviaties beneden het gemiddelde ten opzichte van een normgroep van leeftijdsgenoten”. De voorwaarde wordt behouden dat leerlingen significante beperkingen dienen te hebben in het intellectueel functioneren.

Open end financiering type 2, 4, 6 en 7 (auditief) => kleine types

Door een stijging van het aantal aanvragen binnen type 2, 4, 6 en 7 (auditief) heeft men beslist om vanaf schooljaar 2019 – 2020 om voor deze types over te stappen naar een open end financiering. Dit wil zeggen dat de middelen afhankelijk zijn van het aantal leerlingen van het moment en niet meer afhankelijk van leerlingenaantallen op 1 februari.

De Vlaamse Regering werkt overgangsmaatregelen uit voor schooljaar 2018 – 2019. Deze zijn nog niet goedgekeurd door de Vlaamse Regering maar wel benoemd tijdens de plenaire vergadering van het Vlaams parlement op woensdagnamiddag 27 juni 2018:

Volgende principes voor bijkomende budgetten waar elke school mag op rekenen vanaf 1 september 2018:

Wat als uw kind van ondersteuningsschool veranderd?

Door een verloop van leerlingen van de ene school naar een andere school, is het mogelijk dat een school voor buitengewoon onderwijs een te kort aan begeleidingseenheden heeft in rato met het aantal te begeleiden leerlingen en dat een ander school voor buitengewoon onderwijs een overschot aan begeleidingseenheden heeft in rato met het aantal te begeleiden leerlingen. De scholen mogen en kunnen de begeleidingseenheden aan elkaar overdragen zodanig dat de leerlingen de ondersteuning kunnen ontvangen waar ze recht op  hebben.

Veranderen tussen gewoon en buitengewoon onderwijs

Er worden twee situaties voorzien waarin schoolbesturen leerlingen in overcapaciteit moeten inschrijven:

  1. voor de terugkeer van een leerling naar een school voor buitengewoon onderwijs, waar die leerling in het lopende of de twee voorafgaande schooljaren ingeschreven was, wanneer die leerling op eigen initiatief of op advies de overstap maakte naar een school voor gewoon onderwijs maar terug wil inschrijven in de school voor buitengewoon onderwijs;
  2. voor de terugkeer van een leerling naar een school voor gewoon onderwijs, waar die leerling in het lopende of de twee voorafgaande schooljaren ingeschreven was, wanneer die leerling de overstap maakte naar een school voor buitengewoon onderwijs, maar terug wil inschrijven in de school voor gewoon onderwijs.

Coördinatie ondersteuningsnetwerken

Aan elk ondersteuningsnetwerk worden middelen toegekend voor coördinatie. Deze middelen komen van uit het budget van de pedagogische begeleidingsdiensten.

Bemiddeling en klachtenbehandeling

Momenteel zijn de kanalen waar ouders terecht kunnen voor bemiddeling of met een klacht, te weinig gekend. In de komende periode zal de overheid inspanningen leveren om deze kanalen kenbaarder te maken.

We geven ze alvast even mee:

Bemiddeling:

  • CLB
  • Indien CLB geen optie: netoverschrijdend samenwerkingsverband CLB (nieuw decreet leerlingenbegeleiding)

Beroep of klachten

  • Vlaamse bemiddelingscommissie: Behandelt klachten over het verslag
  • Commissie inzake leerlingenrechten: Behandelt klachten niet-gerealiseerde inschrijving in een school en de ontbonden inschrijving in een school
  • Unia: behandelt klachten over weigeren van redelijke aanpassingen

Vertegenwoordiging erkende ouderverenigingen en belangenorganisaties

Voor de voorbereiding, opvolging en aansturing van de invoering van het nieuwe ondersteuningsmodel werd een stuurgroep opgericht met een vertegenwoordiging van de onderwijskoepels, de onderwijsvakbonden, CLB en de overheid.

Het VN-Verdrag beklemtoont de betrokkenheid van personen met een handicap en organisaties die hen vertegenwoordigen bij materies die hen aanbelangen. Het M-decreet en het ondersteuningsmodel is zo’n materie. De overheid voorziet dat een vertegenwoordiging vanuit de erkende ouderverenigingen en vanuit belangenorganisaties van ouders van leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften kan worden uitgenodigd door de stuurgroep om de betrokkenheid bij beleidsvoorbereiding en -uitvoering te verhogen.


segregatie

Segregatie achter de schoolpoort

Segregatie achter de schoolpoort

Bron: De Standaard vrijdag 30 maart 2018

Vlaanderen heeft zich geëngageerd om inclusief onderwijs te realiseren, maar voorlopig blijft een overkoepelende visie uit, schrijft Pieter Feys.
De reportage van Pano over het basisonderwijs hing het beeld op van de wankelende, kwetsbare leerkracht. ‘Meester Patrick’ nuanceerde dit gelukkig nog enigszins. Hij was trots op de rol die hij speelde in het leven van zijn leerlingen en zag de meerwaarde van diversiteit in onze klassen. Dit verhaal bleef jammer genoeg onderbelicht in de reportage.
Het onderwijs in Vlaanderen staat onder druk. Zoals andere systemen in de publieke sfeer moet het leren omgaan met de complexer wordende diversiteit in onze samenleving. Leerkrachten voelen dat in hun klassen. Ze geven les aan een klas met een rijkdom aan diversiteit. Elke leerling heeft zijn identiteit, los van alle labels die we op hen proberen te plakken. Maar hoe creëer je een uitdagende onderwijsomgeving voor alle kinderen?

Segregatie
In het verleden kozen we voor twee aparte systemen: in het gewoon onderwijs gaven we les aan de doorsneeleerling. Wie uit de boot viel, ging naar het buitengewoon onderwijs. Een leerling uit het gewoon onderwijs en een leerling uit het buitengewoon kwamen elkaar zelden of nooit tegen. De effectieve segregatie van kinderen die een andere onderwijsaanpak vragen, loopt tot op de dag van vandaag verder. Niet het minst vanwege het groot uitgebouwd buitengewoon onderwijs in Vlaanderen.

In 2009 ratificeerde België samen met 160 andere overheden nochtans het VN-Verdrag inzake de Rechten van Personen met een Handicap. Dat vertrok vanuit het principe dat iedereen recht heeft op een volwaardige deelname aan de samenleving. Een segregerend onderwijssysteem kan daar geen deel van uitmaken. Daarom staat in het verdrag dat we moeten werken aan één inclusief onderwijssysteem, waarin iedereen zijn plaats heeft met de nodige ondersteuning voor leerlingen en leerkrachten.

Vlaanderen hinkt op dit moment op twee gedachten. Ondanks het engagement om inclusief onderwijs te realiseren, blijft een overkoepelende visie uit. De middelen stijgen mondjesmaat, maar de nood blijft groot. Sommige scholen en leerkrachten verstoppen zich achter dit probleem en laten ouders voelen dat ze met hun kind niet welkom zijn. Dat creëert een aanzuigeffect bij scholen die het wel goed doen.

Vlaanderen moet werk maken van een overkoepelende visie en moet middelen vrijmaken om inclusief onderwijs te realiseren. De hervorming moet structureel zijn. Zowel de leerlingen en ouders als de leerkrachten moeten ondersteuning krijgen, en het recht op kwaliteitsvol inclusief onderwijs moet voor elk kind worden gevrijwaard.
Inclusie is het antwoord op de groeiende complexiteit van de diversiteit in onze samenleving. Nu moeten we volop aan de weg timmeren. Iedereen die meewerkt, moeten we aan boord houden. Maar dan mogen we de meester Patricks van deze wereld gerust wat meer eer aandoen.


Inclusie krijtbord

Te slim

Te slim

Artikel geschreven door Pieter Feys verschenen in uitgave van ‘Tripliek’ nr 65, tijdschrift van Downsyndroom Vlaanderen

Toen de Belgische overheid in 2009 het VN-verdrag inzake de rechten van personen met een handicap ratificeerde, engageerde ze zich ook automatisch om inclusief onderwijs te realiseren. Met de introductie van het M-decreet werd in september 2015 een eerste, maar voorzichtige, stap gezet. Voorzichtig omdat Vlaanderen nog steeds over een groot uitgebouwd buitengewoon onderwijs beschikt. Zolang dit gesegregeerde systeem zo stevig uitgebouwd blijft, kunnen we niet spreken van een volwaardig inclusief onderwijssysteem. Dat betekent ook dat er middelen gaan naar het onderhouden van een gesplitst systeem, terwijl die anders zouden kunnen worden ingezet voor een doordacht inclusief onderwijs. Een systeem waar voor elke leerling plaats is, mits gepaste ondersteuning en een voldoende aangepaste context. Dit kan zich bijvoorbeeld vertalen in anders georganiseerde schoolstructuren, aangepaste infrastructuur, meer ondersteuning in de klas, meer ondersteuning voor leerkrachten, anders georganiseerde lerarenopleidingen, enzovoort. De bestaande middelen kunnen dan gerichter gebruikt worden om inclusief onderwijs te realiseren. Maar net bij die evenwichtsoefening wringt vandaag het schoentje.

Sinds de start van het M-decreet zijn er merkbaar meer leerlingen die naar het gewoon onderwijs gaan. In vele gevallen zijn zij, samen met hun ouders, pioniers op hun school. Het is voor alle partijen een zoektocht. Hoe moeten ze dat inclusief onderwijs vormgeven? Welke ondersteuning is er voor een kind? Welke ondersteuning is er voor de school? Hoe moeten we die twee op elkaar afstemmen? Hoe komt schoolexterne zorg in dit verhaal binnen? Wat is mijn rol als ouder? Moet ik als ouder alle zorg coördineren? Allemaal prangende vragen waar geen duidelijke antwoorden op zijn. Je ka kan in elk geval zien aan het aantal verschillende partijen dat ‘constructieve dialoog’ hier een sleutelfactor in is. Uit de situaties waar heel sterk wordt ingezet op die afstemming en wisselwerking zien we ook de meest positieve verhalen terugkomen.

Scholen en ouders staan er ook niet alleen voor. Zij kunnen beroep doen op elkaar, maar ook op bijkomende ondersteuning. Hiervoor bestaan de pedagogische begeleidingsdiensten, ondersteuningsnetwerken, ondersteuners, CLB’s, therapeuten, thuisbegeleidingsdiensten, nascholingstrajecten, studenten, vrijwilligers, enzovoort. Er zijn dus verschillende mogelijkheden om voor aanpassingen te zorgen die inspelen op de behoeften van een kind. Van de school vragen we om samen met de ouders binnen dit netwerk op zoek te gaan naar gepaste ondersteuning.

Zorgcontinuüm

De noden van de leerling zijn dan ook het centrale uitgangspunt om de hoeveelheid en de wijze van ondersteuning te bepalen. Er wordt nagedacht over de ondersteuningsbehoeften van de leerling in drie fases. In Fase 0 gaat de leerkracht in de eerste plaats zelf aan de slag in de klas met verschillende maatregelen die alle kinderen ten goede komen. In Fase 1 geeft de leerkracht aan dat hij ondersteuning heeft van andere mensen die hiervoor bevoegd zijn binnen de school. Dan komen bijvoorbeeld ook de zorgcoördinator en de directie in beeld. In Fase 2 vraagt de school bijkomende ondersteuning aan door een ondersteuner uit het buitengewoon onderwijs. Hiervoor moet het CLB een gemotiveerd verslag opmaken dat gekoppeld is aan een bepaald type uit het buitengewoon onderwijs. Op die manier proberen zij de juiste expertise binnen te brengen. Fase 3 is de laatste fase. Dit betekent dat het ook met alle vorige maatregelen niet lukt om aan te sluiten bij het gemeenschappelijk curriculum. Het CLB schrijft dan een verslag uit dat toegang verschaft tot het buitengewoon onderwijs. Hiermee kan je kiezen voor buitengewoon onderwijs of voor een individueel aangepast curriculum (IAC) in het gewoon onderwijs, een persoonlijk leertraject zeg maar. Ook in deze fase heb je recht op een ondersteuner als je in het gewoon onderwijs naar school gaat.

Belangrijk hierbij is dat er in elke fase nauw samengewerkt wordt met ouders en dat zij inspraak hebben op de maatregelen maar ook op de besluitvorming.

Het zorgcontinuüm – afbeelding van www.prodiagnostiek.be op 10 januari 2017

Het CLB heeft een sleutelrol in het proces en de uiteindelijke toekenning van een (gemotiveerd) verslag en de ondersteuning die hiermee samengaat. Bij het opstellen van een verslag dienen zij ook te vertrekken vanuit de noden van een kind om dan de gepaste ondersteuning te vinden.

Jammer genoeg is dit principe nog steeds niet voldoende. Je kind moet nog steeds voldoen aan een aantal medische voorwaarden zodat er ondersteuning vanuit een bepaald ‘type’ kan komen. Dit maakt het voor sommigen erg moeilijk om ondersteuning te krijgen, want kinderen passen nooit helemaal in deze ‘hokjes’.

Type 2: verstandelijke beperking

Kinderen die beroep willen doen op ondersteuning vanuit ‘Type 2: verstandelijke beperking’, moeten dus eerst een verslag krijgen van het CLB waarbij kan worden aangetoond dat zij voldoen aan de criteria hiervoor. Een criterium waarop ouders van deze kinderen vaak vastlopen is dat het IQ lager moet zijn dan 60 om een Type 2-verslag te kunnen krijgen. Betekent dit dan dat er helemaal geen ondersteuning mogelijk is wanneer je kind met een verstandelijke beperking een IQ van 60 of hoger heeft? In sommige gevallen is het mogelijk dat de leerling wel voldoet aan de criteria van een ander type, dan kan er van daaruit ondersteuning aangevraagd worden. Het is echter maar de vraag of die ondersteuning dan voldoende aansluit bij de meest dringende onderwijsbehoeften.

Type basisaanbod

Het type basisaanbod kan voor sommigen misschien een oplossing bieden. Hiervoor zijn de criteria minder strikt. Er kan samen met het CLB en via het ondersteuningsnetwerk een aanvraag ingediend worden voor een ondersteuner, maar het is niet helemaal duidelijk welk soort expertise je kan verwachten van een ondersteuner uit type basisaanbod. Dit komt omdat de criteria om hiervoor in aanmerking te komen minder gedefinieerd zijn. Je gaat dan ook best in gesprek met het CLB en de dienstverlenende school. Je komt op twee manieren in aanmerking voor dit type:

  • Wanneer je minstens negen maanden naar het buitengewoon onderwijs bent geweest en je wil terugkeren naar het gewoon onderwijs. In dat geval kan je gedurende het jaar dat hierop volgt beroep doen op ondersteuning vanuit type basisaanbod. Dit kan met een gemotiveerd verslag en dus binnen het gemeenschappelijk curriculum.
  • Wanneer je kiest voor een IAC op een gewone school. Dit kan alleen met een verslag voor buitengewoon onderwijs en dan sluit je dus niet meer aan bij het gemeenschappelijk curriculum.

Conclusie

Met het M-decreet is er alvast een stap in de goede richting gezet om inclusief onderwijs te realiseren in Vlaanderen. Het klopt dat er nog veel meer maatregelen nodig zijn om de huidige spreidstand tussen buitengewoon onderwijs en het gewoon onderwijs weg te werken om van een echt inclusief systeem te kunnen spreken. In tussentijd betekent dit niet dat scholen zich kunnen verstoppen achter argumenten die enkel inspelen op het al dan niet verkrijgen van ondersteuning in de klas. Er zijn in elke fase van het zorgcontinuüm kansen voorzien die een inclusieve werking mogelijk moeten maken. Hierbij moet er steeds vertrokken worden vanuit de noden van een kind om gepaste ondersteuning te kunnen voorzien. Dit principe ligt soms in strijd met de starre medische indeling in types bij het aanvragen van ondersteuning. Ouders van een kind met een verstandelijk beperking lopen hierbij vaak aan tegen het IQ-criterium. Dit betekent niet dat er geen enkele ondersteuning mogelijk is, maar het vraagt wel een creatief denken van alle partners om een goede oplossing te zoeken. Hierbij neemt het CLB een sleutelrol in omdat zij op basis van de aangeleverde informatie een attest kunnen toekennen dat toegang geeft tot ondersteuning in een bepaald type. Dat ook de ouders hierbij goed betrokken worden is essentieel om op een goede manier de noden van een kind in kaart te brengen en gepaste maatregelen te formuleren. Het is duidelijk dat alle partijen elkaar nodig hebben om voor en kind de gepaste ondersteuning te kunnen voorzien.


Inclusie krijtbord

Te slim

Te slim

Artikel geschreven door Pieter Feys verschenen in uitgave van ‘Tripliek’ nr 65, tijdschrift van Downsyndroom Vlaanderen

Toen de Belgische overheid in 2009 het VN-verdrag inzake de rechten van personen met een handicap ratificeerde, engageerde ze zich ook automatisch om inclusief onderwijs te realiseren. Met de introductie van het M-decreet werd in september 2015 een eerste, maar voorzichtige, stap gezet. Voorzichtig omdat Vlaanderen nog steeds over een groot uitgebouwd buitengewoon onderwijs beschikt. Zolang dit gesegregeerde systeem zo stevig uitgebouwd blijft, kunnen we niet spreken van een volwaardig inclusief onderwijssysteem. Dat betekent ook dat er middelen gaan naar het onderhouden van een gesplitst systeem, terwijl die anders zouden kunnen worden ingezet voor een doordacht inclusief onderwijs. Een systeem waar voor elke leerling plaats is, mits gepaste ondersteuning en een voldoende aangepaste context. Dit kan zich bijvoorbeeld vertalen in anders georganiseerde schoolstructuren, aangepaste infrastructuur, meer ondersteuning in de klas, meer ondersteuning voor leerkrachten, anders georganiseerde lerarenopleidingen, enzovoort. De bestaande middelen kunnen dan gerichter gebruikt worden om inclusief onderwijs te realiseren. Maar net bij die evenwichtsoefening wringt vandaag het schoentje.

Sinds de start van het M-decreet zijn er merkbaar meer leerlingen die naar het gewoon onderwijs gaan. In vele gevallen zijn zij, samen met hun ouders, pioniers op hun school. Het is voor alle partijen een zoektocht. Hoe moeten ze dat inclusief onderwijs vormgeven? Welke ondersteuning is er voor een kind? Welke ondersteuning is er voor de school? Hoe moeten we die twee op elkaar afstemmen? Hoe komt schoolexterne zorg in dit verhaal binnen? Wat is mijn rol als ouder? Moet ik als ouder alle zorg coördineren? Allemaal prangende vragen waar geen duidelijke antwoorden op zijn. Je ka kan in elk geval zien aan het aantal verschillende partijen dat ‘constructieve dialoog’ hier een sleutelfactor in is. Uit de situaties waar heel sterk wordt ingezet op die afstemming en wisselwerking zien we ook de meest positieve verhalen terugkomen.

Scholen en ouders staan er ook niet alleen voor. Zij kunnen beroep doen op elkaar, maar ook op bijkomende ondersteuning. Hiervoor bestaan de pedagogische begeleidingsdiensten, ondersteuningsnetwerken, ondersteuners, CLB’s, therapeuten, thuisbegeleidingsdiensten, nascholingstrajecten, studenten, vrijwilligers, enzovoort. Er zijn dus verschillende mogelijkheden om voor aanpassingen te zorgen die inspelen op de behoeften van een kind. Van de school vragen we om samen met de ouders binnen dit netwerk op zoek te gaan naar gepaste ondersteuning.

Zorgcontinuüm

De noden van de leerling zijn dan ook het centrale uitgangspunt om de hoeveelheid en de wijze van ondersteuning te bepalen. Er wordt nagedacht over de ondersteuningsbehoeften van de leerling in drie fases. In Fase 0 gaat de leerkracht in de eerste plaats zelf aan de slag in de klas met verschillende maatregelen die alle kinderen ten goede komen. In Fase 1 geeft de leerkracht aan dat hij ondersteuning heeft van andere mensen die hiervoor bevoegd zijn binnen de school. Dan komen bijvoorbeeld ook de zorgcoördinator en de directie in beeld. In Fase 2 vraagt de school bijkomende ondersteuning aan door een ondersteuner uit het buitengewoon onderwijs. Hiervoor moet het CLB een gemotiveerd verslag opmaken dat gekoppeld is aan een bepaald type uit het buitengewoon onderwijs. Op die manier proberen zij de juiste expertise binnen te brengen. Fase 3 is de laatste fase. Dit betekent dat het ook met alle vorige maatregelen niet lukt om aan te sluiten bij het gemeenschappelijk curriculum. Het CLB schrijft dan een verslag uit dat toegang verschaft tot het buitengewoon onderwijs. Hiermee kan je kiezen voor buitengewoon onderwijs of voor een individueel aangepast curriculum (IAC) in het gewoon onderwijs, een persoonlijk leertraject zeg maar. Ook in deze fase heb je recht op een ondersteuner als je in het gewoon onderwijs naar school gaat.

Belangrijk hierbij is dat er in elke fase nauw samengewerkt wordt met ouders en dat zij inspraak hebben op de maatregelen maar ook op de besluitvorming.

Het zorgcontinuüm – afbeelding van www.prodiagnostiek.be op 10 januari 2017

Het CLB heeft een sleutelrol in het proces en de uiteindelijke toekenning van een (gemotiveerd) verslag en de ondersteuning die hiermee samengaat. Bij het opstellen van een verslag dienen zij ook te vertrekken vanuit de noden van een kind om dan de gepaste ondersteuning te vinden.

Jammer genoeg is dit principe nog steeds niet voldoende. Je kind moet nog steeds voldoen aan een aantal medische voorwaarden zodat er ondersteuning vanuit een bepaald ‘type’ kan komen. Dit maakt het voor sommigen erg moeilijk om ondersteuning te krijgen, want kinderen passen nooit helemaal in deze ‘hokjes’.

Type 2: verstandelijke beperking

Kinderen die beroep willen doen op ondersteuning vanuit ‘Type 2: verstandelijke beperking’, moeten dus eerst een verslag krijgen van het CLB waarbij kan worden aangetoond dat zij voldoen aan de criteria hiervoor. Een criterium waarop ouders van deze kinderen vaak vastlopen is dat het IQ lager moet zijn dan 60 om een Type 2-verslag te kunnen krijgen. Betekent dit dan dat er helemaal geen ondersteuning mogelijk is wanneer je kind met een verstandelijke beperking een IQ van 60 of hoger heeft? In sommige gevallen is het mogelijk dat de leerling wel voldoet aan de criteria van een ander type, dan kan er van daaruit ondersteuning aangevraagd worden. Het is echter maar de vraag of die ondersteuning dan voldoende aansluit bij de meest dringende onderwijsbehoeften.

Type basisaanbod

Het type basisaanbod kan voor sommigen misschien een oplossing bieden. Hiervoor zijn de criteria minder strikt. Er kan samen met het CLB en via het ondersteuningsnetwerk een aanvraag ingediend worden voor een ondersteuner, maar het is niet helemaal duidelijk welk soort expertise je kan verwachten van een ondersteuner uit type basisaanbod. Dit komt omdat de criteria om hiervoor in aanmerking te komen minder gedefinieerd zijn. Je gaat dan ook best in gesprek met het CLB en de dienstverlenende school. Je komt op twee manieren in aanmerking voor dit type:

  • Wanneer je minstens negen maanden naar het buitengewoon onderwijs bent geweest en je wil terugkeren naar het gewoon onderwijs. In dat geval kan je gedurende het jaar dat hierop volgt beroep doen op ondersteuning vanuit type basisaanbod. Dit kan met een gemotiveerd verslag en dus binnen het gemeenschappelijk curriculum.
  • Wanneer je kiest voor een IAC op een gewone school. Dit kan alleen met een verslag voor buitengewoon onderwijs en dan sluit je dus niet meer aan bij het gemeenschappelijk curriculum.

Conclusie

Met het M-decreet is er alvast een stap in de goede richting gezet om inclusief onderwijs te realiseren in Vlaanderen. Het klopt dat er nog veel meer maatregelen nodig zijn om de huidige spreidstand tussen buitengewoon onderwijs en het gewoon onderwijs weg te werken om van een echt inclusief systeem te kunnen spreken. In tussentijd betekent dit niet dat scholen zich kunnen verstoppen achter argumenten die enkel inspelen op het al dan niet verkrijgen van ondersteuning in de klas. Er zijn in elke fase van het zorgcontinuüm kansen voorzien die een inclusieve werking mogelijk moeten maken. Hierbij moet er steeds vertrokken worden vanuit de noden van een kind om gepaste ondersteuning te kunnen voorzien. Dit principe ligt soms in strijd met de starre medische indeling in types bij het aanvragen van ondersteuning. Ouders van een kind met een verstandelijk beperking lopen hierbij vaak aan tegen het IQ-criterium. Dit betekent niet dat er geen enkele ondersteuning mogelijk is, maar het vraagt wel een creatief denken van alle partners om een goede oplossing te zoeken. Hierbij neemt het CLB een sleutelrol in omdat zij op basis van de aangeleverde informatie een attest kunnen toekennen dat toegang geeft tot ondersteuning in een bepaald type. Dat ook de ouders hierbij goed betrokken worden is essentieel om op een goede manier de noden van een kind in kaart te brengen en gepaste maatregelen te formuleren. Het is duidelijk dat alle partijen elkaar nodig hebben om voor en kind de gepaste ondersteuning te kunnen voorzien.


segregatie

Segregatie achter de schoolpoort

Segregatie achter de schoolpoort

Bron: De Standaard vrijdag 30 maart 2018

Vlaanderen heeft zich geëngageerd om inclusief onderwijs te realiseren, maar voorlopig blijft een overkoepelende visie uit, schrijft Pieter Feys.
De reportage van Pano over het basisonderwijs hing het beeld op van de wankelende, kwetsbare leerkracht. ‘Meester Patrick’ nuanceerde dit gelukkig nog enigszins. Hij was trots op de rol die hij speelde in het leven van zijn leerlingen en zag de meerwaarde van diversiteit in onze klassen. Dit verhaal bleef jammer genoeg onderbelicht in de reportage.
Het onderwijs in Vlaanderen staat onder druk. Zoals andere systemen in de publieke sfeer moet het leren omgaan met de complexer wordende diversiteit in onze samenleving. Leerkrachten voelen dat in hun klassen. Ze geven les aan een klas met een rijkdom aan diversiteit. Elke leerling heeft zijn identiteit, los van alle labels die we op hen proberen te plakken. Maar hoe creëer je een uitdagende onderwijsomgeving voor alle kinderen?

Segregatie
In het verleden kozen we voor twee aparte systemen: in het gewoon onderwijs gaven we les aan de doorsneeleerling. Wie uit de boot viel, ging naar het buitengewoon onderwijs. Een leerling uit het gewoon onderwijs en een leerling uit het buitengewoon kwamen elkaar zelden of nooit tegen. De effectieve segregatie van kinderen die een andere onderwijsaanpak vragen, loopt tot op de dag van vandaag verder. Niet het minst vanwege het groot uitgebouwd buitengewoon onderwijs in Vlaanderen.

In 2009 ratificeerde België samen met 160 andere overheden nochtans het VN-Verdrag inzake de Rechten van Personen met een Handicap. Dat vertrok vanuit het principe dat iedereen recht heeft op een volwaardige deelname aan de samenleving. Een segregerend onderwijssysteem kan daar geen deel van uitmaken. Daarom staat in het verdrag dat we moeten werken aan één inclusief onderwijssysteem, waarin iedereen zijn plaats heeft met de nodige ondersteuning voor leerlingen en leerkrachten.

Vlaanderen hinkt op dit moment op twee gedachten. Ondanks het engagement om inclusief onderwijs te realiseren, blijft een overkoepelende visie uit. De middelen stijgen mondjesmaat, maar de nood blijft groot. Sommige scholen en leerkrachten verstoppen zich achter dit probleem en laten ouders voelen dat ze met hun kind niet welkom zijn. Dat creëert een aanzuigeffect bij scholen die het wel goed doen.

Vlaanderen moet werk maken van een overkoepelende visie en moet middelen vrijmaken om inclusief onderwijs te realiseren. De hervorming moet structureel zijn. Zowel de leerlingen en ouders als de leerkrachten moeten ondersteuning krijgen, en het recht op kwaliteitsvol inclusief onderwijs moet voor elk kind worden gevrijwaard.
Inclusie is het antwoord op de groeiende complexiteit van de diversiteit in onze samenleving. Nu moeten we volop aan de weg timmeren. Iedereen die meewerkt, moeten we aan boord houden. Maar dan mogen we de meester Patricks van deze wereld gerust wat meer eer aandoen.


Eerste bevindingen van het nieuw ondersteuningsmodel volgens ouders

Eerste bevindingen van het nieuw ondersteuningsmodel volgens ouders

Aanknopingspunten voor kwaliteitsvolle begeleiding

Eerste bevindingen van het nieuw ondersteuningsmodel volgens ouders

Naar aanleiding van de vele vragen in verband met het nieuw ondersteuningsmodel in september 2017, heeft Steunpunt voor Inclusie in samenwerking met Ouders voor Inclusie een bevraging opgesteld om een ruimere/globalere indruk te krijgen op de invoering ervan. Met deze bevraging had Ouders voor Inclusie en Steunpunt voor Inclusie niet als doel om reeds een evaluatie uit te voeren, noch om zich uit te spreken over het nieuw ondersteuningsmodel als systeem.

Daarnaast werden verscheidene infoavonden georganiseerd om het nieuw ondersteuningsmodel te verduidelijken aan ouders van kinderen met een beperking. Hiervoor heeft Ouders voor Inclusie samengewerkt met Gezin en Handicap, Steunpunt voor Inclusie en Vakgroep Orthopedagogiek van Universiteit Gent.

Algemene conclusie

Drempels en barrières

Ouders van kinderen met een beperking kiezen heel bewust voor inclusief onderwijs en merken dat dit nog niet maatschappelijk door iedereen aanvaard is. Momenteel is de keuze tussen inclusief onderwijs en buitengewoon onderwijs ook niet gelijkwaardig. De ouders vermoeden dat de terughoudendheid deels te wijten is aan het onbekende en gebrek aan ervaring. Kinderen met een beperking hebben in theorie recht tot inschrijving in een school maar voor ouders met een kind met een beperking blijft het niet vanzelfsprekend om een school te vinden waar hun kind welkom is. Ouders vinden dat ze tijdens het inclusietraject veel moeten vechtenvoor de rechten van hun kind. Als het traject goed loopt wijten ze dit heel regelmatig aan personen die mee met hun het traject trekken en/of begeleiden. Het is dus nog veel te veel persoonsgebonden en te weinig gebaseerd op een inclusieve visie. Daardoor krijgen kinderen met een beperking minder kansen.

De opstart van dit schooljaar is volgens de ouders voor veel kinderen met een beperking onvoorbereid en chaotisch gestart. Informatie over het nieuw ondersteuningsmodel en de gevolgen voor hun kind hebben ze nauwelijks tot niet ontvangen. Ze weten ook niet waar ze met hun vragen terechtkunnen.

De ondersteuning die de kinderen momenteel ontvangen is volgens de ouders te weinig afgesteld op de ondersteuningsnood van hun kind. Tijdens een overleg met alle actoren krijgen ze weinig ruimte om dit aan te kaarten omdat over het algemeen alles reeds beslist is. De ouders worden dan enkel op de hoogte gebracht van de beslissingen.

Scholen vragen nog regelmatig extra begeleiding aan ouders. Ze brengen regelmatig betaalde externen zoals logo, kine, … binnen de school ter ondersteuning. De eindverantwoordelijkheid in verband met het organiseren van extra ondersteuning ligt dan ook heel dikwijls bij de ouders.

Aanknopingspunten voor kwaliteitsvolle begeleiding volgens ouders

Uit de bevraging en de gesprekken tijdens de Ronde van Vlaanderen komt duidelijk naar voor dat ouders van kinderen met een beperking nood hebben aan tijdige, regelmatige, verstaanbare, laagdrempelige en juiste informatie over hun kind en het wettelijk kader.

Voor ouders is het belangrijk dat school een inclusieve visie heeft die gedragen wordt op alle niveaus startende met de directeur en de zorgcoördinator. Op deze manier kan er samen gewerkt worden aan een kwaliteitsvolle ondersteuning gestoeld op de ondersteuningsnood van het kind met de ouders als gelijkwaardige partner: verbindend samenwerken. Hierdoor is de ondersteuning voor elk kind verschillend en dus maatwerk. De leerkrachten spelen in de ondersteuning een heel belangrijke rol en doen ertoe. Het is dan ook aan de school om op te treden als spilfiguur tussen de verschillende ondersteuners. Hierdoor kunnen ouders opnieuw hun ouderrol opnemen en ook bij de school terecht met hun vragen.

De aanknopingspunten leunen heel dicht aan bij de zeven uitgangspunten van handelingsgericht werken. Ze kunnen er zoals de uitgangspunten ervoor zorgen dat de aandacht gaat naar positieve aspecten in het traject en beschermen het traject tegen een te negatief beeld. Het handelingsgericht werken is nog te weinig gekend en wordt nog te weinig toegepast in de schoolpraktijk.

Maar het belangrijkste voor ouders van kinderen met een beperking is dat hun kind zich goed en aanvaard voelt binnen de school en de maatschappij.

Het volledige verslag vindt u hier.


Eerste bevindingen van het nieuw ondersteuningsmodel volgens ouders

Eerste bevindingen van het nieuw ondersteuningsmodel volgens ouders

Aanknopingspunten voor kwaliteitsvolle begeleiding

Eerste bevindingen van het nieuw ondersteuningsmodel volgens ouders

Naar aanleiding van de vele vragen in verband met het nieuw ondersteuningsmodel in september 2017, heeft Steunpunt voor Inclusie in samenwerking met Ouders voor Inclusie een bevraging opgesteld om een ruimere/globalere indruk te krijgen op de invoering ervan. Met deze bevraging had Ouders voor Inclusie en Steunpunt voor Inclusie niet als doel om reeds een evaluatie uit te voeren, noch om zich uit te spreken over het nieuw ondersteuningsmodel als systeem.

Daarnaast werden verscheidene infoavonden georganiseerd om het nieuw ondersteuningsmodel te verduidelijken aan ouders van kinderen met een beperking. Hiervoor heeft Ouders voor Inclusie samengewerkt met Gezin en Handicap, Steunpunt voor Inclusie en Vakgroep Orthopedagogiek van Universiteit Gent.

Algemene conclusie

Drempels en barrières

Ouders van kinderen met een beperking kiezen heel bewust voor inclusief onderwijs en merken dat dit nog niet maatschappelijk door iedereen aanvaard is. Momenteel is de keuze tussen inclusief onderwijs en buitengewoon onderwijs ook niet gelijkwaardig. De ouders vermoeden dat de terughoudendheid deels te wijten is aan het onbekende en gebrek aan ervaring. Kinderen met een beperking hebben in theorie recht tot inschrijving in een school maar voor ouders met een kind met een beperking blijft het niet vanzelfsprekend om een school te vinden waar hun kind welkom is. Ouders vinden dat ze tijdens het inclusietraject veel moeten vechtenvoor de rechten van hun kind. Als het traject goed loopt wijten ze dit heel regelmatig aan personen die mee met hun het traject trekken en/of begeleiden. Het is dus nog veel te veel persoonsgebonden en te weinig gebaseerd op een inclusieve visie. Daardoor krijgen kinderen met een beperking minder kansen.

De opstart van dit schooljaar is volgens de ouders voor veel kinderen met een beperking onvoorbereid en chaotisch gestart. Informatie over het nieuw ondersteuningsmodel en de gevolgen voor hun kind hebben ze nauwelijks tot niet ontvangen. Ze weten ook niet waar ze met hun vragen terechtkunnen.

De ondersteuning die de kinderen momenteel ontvangen is volgens de ouders te weinig afgesteld op de ondersteuningsnood van hun kind. Tijdens een overleg met alle actoren krijgen ze weinig ruimte om dit aan te kaarten omdat over het algemeen alles reeds beslist is. De ouders worden dan enkel op de hoogte gebracht van de beslissingen.

Scholen vragen nog regelmatig extra begeleiding aan ouders. Ze brengen regelmatig betaalde externen zoals logo, kine, … binnen de school ter ondersteuning. De eindverantwoordelijkheid in verband met het organiseren van extra ondersteuning ligt dan ook heel dikwijls bij de ouders.

Aanknopingspunten voor kwaliteitsvolle begeleiding volgens ouders

Uit de bevraging en de gesprekken tijdens de Ronde van Vlaanderen komt duidelijk naar voor dat ouders van kinderen met een beperking nood hebben aan tijdige, regelmatige, verstaanbare, laagdrempelige en juiste informatie over hun kind en het wettelijk kader.

Voor ouders is het belangrijk dat school een inclusieve visie heeft die gedragen wordt op alle niveaus startende met de directeur en de zorgcoördinator. Op deze manier kan er samen gewerkt worden aan een kwaliteitsvolle ondersteuning gestoeld op de ondersteuningsnood van het kind met de ouders als gelijkwaardige partner: verbindend samenwerken. Hierdoor is de ondersteuning voor elk kind verschillend en dus maatwerk. De leerkrachten spelen in de ondersteuning een heel belangrijke rol en doen ertoe. Het is dan ook aan de school om op te treden als spilfiguur tussen de verschillende ondersteuners. Hierdoor kunnen ouders opnieuw hun ouderrol opnemen en ook bij de school terecht met hun vragen.

De aanknopingspunten leunen heel dicht aan bij de zeven uitgangspunten van handelingsgericht werken. Ze kunnen er zoals de uitgangspunten ervoor zorgen dat de aandacht gaat naar positieve aspecten in het traject en beschermen het traject tegen een te negatief beeld. Het handelingsgericht werken is nog te weinig gekend en wordt nog te weinig toegepast in de schoolpraktijk.

Maar het belangrijkste voor ouders van kinderen met een beperking is dat hun kind zich goed en aanvaard voelt binnen de school en de maatschappij.

Het volledige verslag vindt u hier.


Resultaten bevraging nieuw ondersteuningsmodel

Resultaten bevraging nieuw ondersteuningsmodel

Naar aanleiding van de vele vragen in verband met het nieuw ondersteuningsmodel in september 2017, heeft Steunpunt voor Inclusie samen met Ouders voor Inclusie een bevraging opgesteld om een ruimere kijk te krijgen op de invoering ervan.

De bevraging is verspreid via de elektronische nieuwsbrief van Steunpunt voor Inclusie, website van Ouders voor Inclusie, facebookpagina van Ouders voor Inclusie en verschillende partnerorganisaties. De bevraging was gericht naar ouders van (een) kind(eren) met specifieke onderwijsbehoeften die school lopen in het gewoon onderwijs en opengesteld van 25 september 2017 tot en met 8 oktober 2017. Ondertussen zijn de resultaten binnen en verwerkt in een tussentijds rapport. Dit tussentijds rapport vormt de basis, de leidraad voor de gesprekken tijdens de ‘Ronde van Vlaanderen’ die in de verschillende Vlaamse provincies zullen doorgaan.

Op deze infoavonden willen we naast het aanbieden van informatie, graag ook ouders een ‘stem’ geven. Wat zijn jouw ervaringen, wensen en verwachtingen van het nieuwe ondersteuningsmodel? Kom zeker langs en deel ze met ons en andere ouders, want jouw stem telt!

Het tussentijds rapport werd intussen voorgelegd en besproken met zowel het kabinet als departement Onderwijs en vorming. In deze ontmoeting werd meegedeeld dat onze resultaten mee opgenomen zullen worden in hun monitoringsrapport dat zal verschijnen rond 1 december 2017. Na afloop van de ‘Ronde van Vlaanderen’ zullen wij ons tussentijds rapport vervolledigen en opnieuw aanbieden aan het kabinet en departement. Daarnaast zal het gehele rapport ter beschikking worden gesteld via de website. Dus wenst u nog uw stem te laten horen: u bent meer dan welkom.