Te slim

Te slim

Artikel geschreven door Pieter Feys verschenen in uitgave van ‘Tripliek’ nr 65, tijdschrift van Downsyndroom Vlaanderen

Toen de Belgische overheid in 2009 het VN-verdrag inzake de rechten van personen met een handicap ratificeerde, engageerde ze zich ook automatisch om inclusief onderwijs te realiseren. Met de introductie van het M-decreet werd in september 2015 een eerste, maar voorzichtige, stap gezet. Voorzichtig omdat Vlaanderen nog steeds over een groot uitgebouwd buitengewoon onderwijs beschikt. Zolang dit gesegregeerde systeem zo stevig uitgebouwd blijft, kunnen we niet spreken van een volwaardig inclusief onderwijssysteem. Dat betekent ook dat er middelen gaan naar het onderhouden van een gesplitst systeem, terwijl die anders zouden kunnen worden ingezet voor een doordacht inclusief onderwijs. Een systeem waar voor elke leerling plaats is, mits gepaste ondersteuning en een voldoende aangepaste context. Dit kan zich bijvoorbeeld vertalen in anders georganiseerde schoolstructuren, aangepaste infrastructuur, meer ondersteuning in de klas, meer ondersteuning voor leerkrachten, anders georganiseerde lerarenopleidingen, enzovoort. De bestaande middelen kunnen dan gerichter gebruikt worden om inclusief onderwijs te realiseren. Maar net bij die evenwichtsoefening wringt vandaag het schoentje.

Sinds de start van het M-decreet zijn er merkbaar meer leerlingen die naar het gewoon onderwijs gaan. In vele gevallen zijn zij, samen met hun ouders, pioniers op hun school. Het is voor alle partijen een zoektocht. Hoe moeten ze dat inclusief onderwijs vormgeven? Welke ondersteuning is er voor een kind? Welke ondersteuning is er voor de school? Hoe moeten we die twee op elkaar afstemmen? Hoe komt schoolexterne zorg in dit verhaal binnen? Wat is mijn rol als ouder? Moet ik als ouder alle zorg coördineren? Allemaal prangende vragen waar geen duidelijke antwoorden op zijn. Je ka kan in elk geval zien aan het aantal verschillende partijen dat ‘constructieve dialoog’ hier een sleutelfactor in is. Uit de situaties waar heel sterk wordt ingezet op die afstemming en wisselwerking zien we ook de meest positieve verhalen terugkomen.

Scholen en ouders staan er ook niet alleen voor. Zij kunnen beroep doen op elkaar, maar ook op bijkomende ondersteuning. Hiervoor bestaan de pedagogische begeleidingsdiensten, ondersteuningsnetwerken, ondersteuners, CLB’s, therapeuten, thuisbegeleidingsdiensten, nascholingstrajecten, studenten, vrijwilligers, enzovoort. Er zijn dus verschillende mogelijkheden om voor aanpassingen te zorgen die inspelen op de behoeften van een kind. Van de school vragen we om samen met de ouders binnen dit netwerk op zoek te gaan naar gepaste ondersteuning.

Zorgcontinuüm

De noden van de leerling zijn dan ook het centrale uitgangspunt om de hoeveelheid en de wijze van ondersteuning te bepalen. Er wordt nagedacht over de ondersteuningsbehoeften van de leerling in drie fases. In Fase 0 gaat de leerkracht in de eerste plaats zelf aan de slag in de klas met verschillende maatregelen die alle kinderen ten goede komen. In Fase 1 geeft de leerkracht aan dat hij ondersteuning heeft van andere mensen die hiervoor bevoegd zijn binnen de school. Dan komen bijvoorbeeld ook de zorgcoördinator en de directie in beeld. In Fase 2 vraagt de school bijkomende ondersteuning aan door een ondersteuner uit het buitengewoon onderwijs. Hiervoor moet het CLB een gemotiveerd verslag opmaken dat gekoppeld is aan een bepaald type uit het buitengewoon onderwijs. Op die manier proberen zij de juiste expertise binnen te brengen. Fase 3 is de laatste fase. Dit betekent dat het ook met alle vorige maatregelen niet lukt om aan te sluiten bij het gemeenschappelijk curriculum. Het CLB schrijft dan een verslag uit dat toegang verschaft tot het buitengewoon onderwijs. Hiermee kan je kiezen voor buitengewoon onderwijs of voor een individueel aangepast curriculum (IAC) in het gewoon onderwijs, een persoonlijk leertraject zeg maar. Ook in deze fase heb je recht op een ondersteuner als je in het gewoon onderwijs naar school gaat.

Belangrijk hierbij is dat er in elke fase nauw samengewerkt wordt met ouders en dat zij inspraak hebben op de maatregelen maar ook op de besluitvorming.

 

Het zorgcontinuüm – afbeelding van www.prodiagnostiek.be op 10 januari 2017

 

Het CLB heeft een sleutelrol in het proces en de uiteindelijke toekenning van een (gemotiveerd) verslag en de ondersteuning die hiermee samengaat. Bij het opstellen van een verslag dienen zij ook te vertrekken vanuit de noden van een kind om dan de gepaste ondersteuning te vinden.

Jammer genoeg is dit principe nog steeds niet voldoende. Je kind moet nog steeds voldoen aan een aantal medische voorwaarden zodat er ondersteuning vanuit een bepaald ‘type’ kan komen. Dit maakt het voor sommigen erg moeilijk om ondersteuning te krijgen, want kinderen passen nooit helemaal in deze ‘hokjes’.

Type 2: verstandelijke beperking

Kinderen die beroep willen doen op ondersteuning vanuit ‘Type 2: verstandelijke beperking’, moeten dus eerst een verslag krijgen van het CLB waarbij kan worden aangetoond dat zij voldoen aan de criteria hiervoor. Een criterium waarop ouders van deze kinderen vaak vastlopen is dat het IQ lager moet zijn dan 60 om een Type 2-verslag te kunnen krijgen. Betekent dit dan dat er helemaal geen ondersteuning mogelijk is wanneer je kind met een verstandelijke beperking een IQ van 60 of hoger heeft? In sommige gevallen is het mogelijk dat de leerling wel voldoet aan de criteria van een ander type, dan kan er van daaruit ondersteuning aangevraagd worden. Het is echter maar de vraag of die ondersteuning dan voldoende aansluit bij de meest dringende onderwijsbehoeften.

Type basisaanbod

Het type basisaanbod kan voor sommigen misschien een oplossing bieden. Hiervoor zijn de criteria minder strikt. Er kan samen met het CLB en via het ondersteuningsnetwerk een aanvraag ingediend worden voor een ondersteuner, maar het is niet helemaal duidelijk welk soort expertise je kan verwachten van een ondersteuner uit type basisaanbod. Dit komt omdat de criteria om hiervoor in aanmerking te komen minder gedefinieerd zijn. Je gaat dan ook best in gesprek met het CLB en de dienstverlenende school. Je komt op twee manieren in aanmerking voor dit type:

  • Wanneer je minstens negen maanden naar het buitengewoon onderwijs bent geweest en je wil terugkeren naar het gewoon onderwijs. In dat geval kan je gedurende het jaar dat hierop volgt beroep doen op ondersteuning vanuit type basisaanbod. Dit kan met een gemotiveerd verslag en dus binnen het gemeenschappelijk curriculum.
  • Wanneer je kiest voor een IAC op een gewone school. Dit kan alleen met een verslag voor buitengewoon onderwijs en dan sluit je dus niet meer aan bij het gemeenschappelijk curriculum.

Conclusie

Met het M-decreet is er alvast een stap in de goede richting gezet om inclusief onderwijs te realiseren in Vlaanderen. Het klopt dat er nog veel meer maatregelen nodig zijn om de huidige spreidstand tussen buitengewoon onderwijs en het gewoon onderwijs weg te werken om van een echt inclusief systeem te kunnen spreken. In tussentijd betekent dit niet dat scholen zich kunnen verstoppen achter argumenten die enkel inspelen op het al dan niet verkrijgen van ondersteuning in de klas. Er zijn in elke fase van het zorgcontinuüm kansen voorzien die een inclusieve werking mogelijk moeten maken. Hierbij moet er steeds vertrokken worden vanuit de noden van een kind om gepaste ondersteuning te kunnen voorzien. Dit principe ligt soms in strijd met de starre medische indeling in types bij het aanvragen van ondersteuning. Ouders van een kind met een verstandelijk beperking lopen hierbij vaak aan tegen het IQ-criterium. Dit betekent niet dat er geen enkele ondersteuning mogelijk is, maar het vraagt wel een creatief denken van alle partners om een goede oplossing te zoeken. Hierbij neemt het CLB een sleutelrol in omdat zij op basis van de aangeleverde informatie een attest kunnen toekennen dat toegang geeft tot ondersteuning in een bepaald type. Dat ook de ouders hierbij goed betrokken worden is essentieel om op een goede manier de noden van een kind in kaart te brengen en gepaste maatregelen te formuleren. Het is duidelijk dat alle partijen elkaar nodig hebben om voor en kind de gepaste ondersteuning te kunnen voorzien.