Mixed Ability Rugby (Mixar): een trainer aan het woord

Wat is Mixar?

Mixed Ability erkent het recht van iedereen om deel te nemen aan een maatschappelijke sportbeleving zonder te worden gescheiden, geclassificeerd of gelabeld. Mixed Ability is een sociale beweging binnen de sport, die op een actieve manier inclusie en gelijkheid promoot door een gevoel van thuishoren en lidmaatschap te creëren binnen een groep, team of club. Mixed Ability sporten volgen dezelfde regels als de mainstream sporten zonder adaptaties, met enkel kleine aanpassingen die rekening houden met de noden van de individuele deelnemer.

Het gaat hier dus om een mooi voorbeeld van inclusie. Mixed Ability is ontstaan binnen rugby maar wordt ook in andere sporten toegepast. Het is een opkomend concept dat vanuit het Verenigd Koninkrijk verspreid wordt naar andere landen. Zo kwam het ook in België terecht.

David Vyncke van rugbyclub Hasselt getuigt:

Het inclusieverhaal van de Hasseltse rugbyclub startte met een jeugdwerking. Vanuit zijn ervaringen met zijn eigen kinderen die beiden een autismespectrumstoornis hebben, begon hij als papa langs de zijlijn. Gaandeweg werd hij plots trainer. Officieel was er toen nog geen sprake van een inclusiewerking. Door mond aan mond reclame kwamen er plots meer en meer kinderen bij die buiten het veld een stempel hadden. Op het veld is elk kind voor David echter een gewone speler. Hier is hij heel duidelijk in.

Het Mixar team ontstond pas zeer recent. In 2018 ging dit van start na een oproep van een Europees project. David raakte er door geïnteresseerd en ging mee met kampen naar Engeland, Ierland en Rome. Hij nam hieruit heel wat inspiratie mee. Na het tweejarig traject rondden ze in Rome het project af en zullen ze een startgids aanbieden voor rugbyclubs die inclusief met contact willen werken. Hij hoopt zo het inclusievirus verder te kunnen verspreiden.

Vanuit jouw ervaring was het werken met mensen met een beperking geen grote drempel, maar hoe kon je ook de rest van de club meenemen in het inclusieve verhaal?

Vanuit het project kreeg ik al snel enkele mensen mee. Ik maakte ze warm en dan gingen ze mee proefdraaien op andere sessies. We namen ook samen deel aan een internationaal tornooi. Toen we hiervan terugkwamen stonden we in vuur en vlam. Ze waren helemaal overtuigd en ik stond niet meer alleen. Ook zij hielpen me het virus te verspreiden. Door hun enthousiasme en het tonen van enkele filmfragmenten besliste het bestuur uiteindelijk om hiermee verder te gaan. Zo komt het dat in het seizoen van 19-20 onze inclusieve rugbyclub is opgestart. Uiteraard was niet iedereen van het begin voorstander. De uitspraak: “Wat, wij die met gehandicapten gaan spelen?” is zeker ook gevallen. Zoiets is niet onoverkomelijk. Het is voor veel mensen moeilijk om zich contactsport in te beelden met mensen met een beperking.

In het begin wordt er heel zwart-wit gedacht: “Mensen met een beperking die geen bal kunnen vangen, mensen in een rolstoel, die kan je toch moeilijk integreren”. Maar gaandeweg kan je dit denkbeeld veranderen door voorbeelden te tonen van clubs waar het wel degelijk werkt.

Hoe verliep deze opstart verder? Vonden jullie snel leden die dit concept zagen zitten?

Wij hadden het voordeel dat we enkel een eerste herenteam hadden in onze club. Dat zorgde ervoor dat op een bepaald ogenblik jeugdspelers of senioren met een zware blessure niet meer mee konden draaien. Ze hebben wel nog de ‘goesting’, maar ze kunnen niet meer mee. Dan stroomden deze mensen weg uit het sociaal gebeuren waar ze jaren aan een stuk tijd voor hebben opgeofferd, bloed, zweet en tranen hebben gelaten. Daardoor begon ik eens te horen bij de veteranen wie er nog zin had om een beetje te ‘sportelen’. En ja wel drie, vier mensen zagen dit zitten. Zo gingen we verder. Ouders die langs de zijlijn stonden die ook wel eens wilden proberen. Ze vonden het wel leuk en plots stroomden er vijf ouders in. Zij praten dan met andere mensen en zo via mond aan mond reclame komen er steeds mensen bij. Ook mensen met een beperking die op een initiatie aanwezig waren. Een klimmuur hebben ze allemaal al eens gezien, voetbal kennen ze ook. Maar dan rugby, dat is iets nieuws. De mensen zijn geïnteresseerd en komen eens proberen. En zo komen er ook mensen met een beperking in de club die verder in hun netwerk reclame maken. Zo groeit ons ledenaantal.

Hoe pakken jullie het praktisch aan? Zijn er veel aanpassingen nodig?

We werken met persoonlijke begeleiders. Deze zorgen ervoor dat wanneer iemand zich verliest in zijn passie, er een reddingsboei nabij is. Dit hangt er ook van af welk soort beperking de speler heeft.

We hebben ook spelers met een beperking die een persoon zonder beperking opleiden.

Ze vertellen de spelers dan hoe het gaat en wat de aandachtspunten bij het inzetten van een tackle zijn bijvoorbeeld. Op het veld vervagen de rollen en is het niet meer duidelijk wie de beperking heeft. Een nieuwe speler die nog nooit rugby gespeeld heeft, heeft op dat moment ook een beperking.

Rugby is een complexe sport met “203 regeltjes die nog niemand kent”. Wielrennen kennen we allemaal, voetballen kennen we allemaal, maar rugby dat is toch onbekend. Het is dan heel moeilijk om iets aan te leren. Daarom splitsen we de regeltjes op. We proberen ook zoveel mogelijk te visualiseren om deze basisprincipes aan te leren. Werken met gekleurde potjes ter verduidelijking bijvoorbeeld. Pas als deze basisprincipes erin zitten kunnen we verder. Ik probeer de principes ook altijd te koppelen aan alledaagse gebeurtenissen die iedereen wel kent. Ik vergelijk de looplijnen bijvoorbeeld met het rijden op een autostrade. Hierbij moet je ook inhalen en rekening houden met de andere auto’s. Door deze vergelijkingen te maken, merk je dat spelers snel mee stromen en de chaos die er initieel was, vergeten.

Daarnaast is het nodig om in dialoog te gaan. Eerst en vooral het bestuur en de ploeg inlichten over wat er aan het gebeuren is. Eventueel enkele ziektebeelden toelichten en wat uitleg geven over de spelers.

De belangrijkste personen hierbij zijn de ouders en de omgeving van de personen met een beperking en de speler zelf.

Het belangrijkste is voor mij: trial and error. Zet je ervoor open, praat met iedereen die betrokken is. Degenen die de persoon kennen, weten het beste hoe ze ermee moeten omgaan en kunnen het gedrag vertalen. Zo zal je sneller weten hoe je in een bepaalde situatie moet reageren. Maar verder moet je je vooral openstellen en blijven proberen. Niets is te gek. Dat is niet anders dan een gewone werking. Je gaat op zoek naar hoe je het beste de tegenstander kan verslaan.

Je probeert, en met vallen en opstaan kom je er wel.

Niet alles zal van de eerste keer perfect verlopen denk ik, welke drempels kwamen jullie onderweg zoal tegen?

Ten eerste is het belangrijk dat de drempel niet steeds bij de persoon met een beperking ligt. Ook de andere spelers ervaren drempels. Zo moet je leren aanvaarden dat personen met een beperking ook gekwetst kunnen raken, maar dat zij hier zelf voor kiezen. Zij willen rugby met contact spelen en willen volwaardig deel zijn van hun ploeg.

Wij moeten inzien dat ze niet betutteld willen worden, maar ook kiezen voor gelijkwaardigheid.

Dat wil zeggen dat je personen met een beperking niet zal laten winnen. Je geeft geen cadeautjes. Wel kan je iemand een gunst geven. Als je ziet dat het voor een bepaalde speler al een overwinning is om de bal te vangen en drie stappen te zetten, ja dan wil ik die wel geven. Als die op twee meter van de try line staat en zo een punt zou kunnen scoren, dan zal die maar twee stappen krijgen. Dat is gelijkwaardigheid.

Een tweede drempel is het bestuur. Zorgen dat je hen kan overtuigen, kan ook een drempel zijn die je moet overwinnen.

Hen bestoken met informatie en succesverhalen zodat ze mee willen in het inclusieve verhaal.

Een derde drempel ligt bij de persoon met een beperking en zijn omgeving. Een sport als rugby met contact is intensief. Voor sommigen ligt daar de aantrekkingskracht, anderen zijn net wat angstig. Ook de mama’s langs de zijlijn zijn soms wat bang voor de hardheid van de sport. Ze hebben meer pijn dan hun kind zelf. Ook moet je als club ergens een grens trekken. Hoewel het leuk zou zijn als echt iedereen kan meedoen, is dit binnen een fysieke sport als rugby niet mogelijk. Bij ons is de regel: iedereen is welkom als hij het veld kan opwandelen. Dit voor hun eigen veiligheid. De andere spelers die zonder grenzen en vol passie spelen die vliegen erin. Als er dan iemand met een rolstoel op het veld staat, bestaat de kans dat de andere spelers gewoon doorvliegen. Dan wordt het gevaarlijk. Vandaar de grens die we getrokken hebben.

Wat zou er volgens jou nog moeten gebeuren opdat meer organisaties inclusief aan het werk zouden gaan?

Bekendheid maken. Bekendheid van inclusiesporten, dat is wat we nodig hebben. Mensen laten zien dat het kan.

Als het bij rugby kan, kan het bij andere sporten ook.

Het is zo zalig om de mensen te zien groeien en ik kan het alleen maar aanraden. Ik gaf onlangs een initiatie en één van onze speelsters met een beperking was daar ook. Terwijl ik iets klaarzette, passeerden haar vrienden en vriendinnen van de klas. Wanneer ik mij omdraaide zag ik dat ze het kussen had opgepakt en dat ze perfect de aandachtspunten van een tackle aan het uitleggen was. Als coach is dat gewoon zalig en daar doe ik voor.


Dit verhaal kwam tot stand dankzij David Vyncke en Astrid Derycke (studente Odissee Hogeschool).